zondag 30 december 2007

Disinformation : The Use of False Information

In zijn artikel onderscheidt James Fetzer verschillende soorten van desinformatie :

- Men kan opzettelijk slechts een deel van de beschikbare informaties selecteren.

- Men kan bewijzen verzinnen.

- Men kan een geschipperd beeld van hinderlijke argumenten of onderzoeken aangeven.

- Men kan de auteurs of de uitgever van diezelfde onderzoeken bekritiseren.

- Men kan belangrijke tegen argumenten negeren.

De auteur onderstreept dat desinformatie gebruikt wordt om een specifiek doel te bereiken. Onder de leugen ligt er een verborgen agenda. Ter conclusie geeft Fetzer een algemene definitie van desinformatie : “the deliberate dissemination of false information by persons who may or may not receive compensation but who have a specific agenda to counter truth. To call someone “an agent of disinformation” implicates both them and their agenda.”

Waarom is het van groot belang om de omtrekken van desinformatie te leren kennen ? Als jullie het voorbeeld van de oorlog in Irak nemen, komt het antwoord op deze vraag van zichzelf. We zijn allemaal betrokken bij desinformatie. Elk dag in de media krijgen we de samenvatting van de grootste actualiteitsfeiten en vooral de actualiteit uit invloedrijke landen. Omdat journalsisten wenig tijd hebben om hun echte beroep uit te oefenen (onderzoeken) voldoen zij zich met de herhaling van de woorden van de ene en de andere. Als men elk dag op het televisie scherm ziet dat de Verenigde Staten goeie redenen hebben om Irak aan te vallen, wordt deze informatie meer en meer waarschijnlijker. Hier breekt onze verantwoordelijkheid aan. Desinformatie is een wapen dat op de publieke opinie is gericht. Wie geraakt wordt, verliest zonder het te weten een deel van zijn burgerlijke verplichtingen. Want in onze democratische maatschappijen is de bevolking het grootste tegenwicht van de economische en politieke nomenclatura. De bevolking moet zijn rol spelen en aandachtig blijven voor de gespannen valstrikken. Volgende goede raadgevingen kunnen helpen in de strijd tegen desinformatie.

- De geschiedenis kennen is één van de voorwaarden om over de waarachtigheid van toespraken te kunnen oordelen. Het verleden biedt ons nuttige elementen om de huidige toestanden en de toekomstige acties uit te leggen.

- Het opzoeken van een zoveel mogelijk aantal bronnen is noodzakelijk. Zo zullen de verschillende standpunten van de partijen in het geding komen. Dat kan onze kennis van een problematiek versterken.

- Desinformatie wordt gekenmerkt door het bestaan van een agenda. Dankzij de twee eerste raadgevingen is er al wat materiaal voorradig om zich de juiste vragen te stellen. Heeft een groep mensen er zelf belang bij om een specifieke beleid te voeren ? Ofwel zou de geplande interventie van algemene nut zijn ? Wees niet passief !

- Discussiëren met vrienden (of wie dan ook) over onze gedachten of onze allerlaatste ontdekkingen draagt bij tot een objectief beeld van de problematiek. Een sociale band tussen elkaar behouden leidt ook tot een versterking van de macht van de bevolking.

- Nog dit : als iets te eenvoudig lijkt, ga verder in uw onderzoeken.

Renaud Deworst

FETZER, James (2004), Disinformation : The Use of False Information.

Les pros de la propagande

Wat is slechter dan oorlog voeren ? Een oorlog voeren zonder de steun van de bevolking ! Reeds voordat soldaten hun families verlaten en ook terwijl zij vechten tegen de vijand en nadat zij thuis teruggekomen zijn, speelt zich tegelijkertijd een totaal andere strijd af in de “public relation” kantoren, onderzoekscentra (think tanks) en pas opgerichte lobby’s. Deze laatsten achtervolgen maar één doel : de oorlog verkopen.

Het artikel van Vincent Jauvert, journalist bij het Franse weekblad “Le Nouvel Observateur”, beschrijft de marketing rond de oorlog in Irak. In het proces om de massa’s te overtuigen van het goede doel van deze oorlog waren heel wat actoren bij betrokken die hun rol ieder op hun beurt hebben gespeeld. Hun werkwijze kan in drie achtereenvolgende stappen verdeeld worden.

Eerst en vooral heeft een nieuwe lobby ervoor gezorgd dat een wereldwijd debat ontstond over de noodzaak van een verschuiving van het regime. Eind 2002 werd het “Committee for the Liberation of Iraq” opgericht. De omverwerping van Saddam Hussein bevorderen, was de officiele doelstelling van het comité dat bestond uit intellectuelen, industrielen en politucus (onder wie de plus à droite persoonlijkheden van de Republikeinse Partij). De organisatie die een woonruimte naast The Congress in Washington had gevonden, nodigde journalisten, raadsmannen van de President en specialisten van het Midden-Oosten uit om hun visie over Irak te verspreiden. De gebruikte argumenten waren steeds in dienst van de oorlogszuchtige theoriën van dit lobby maar ontbraken niet aan de wetenschappelijke basis. Het ironisch genoemd “Committee for the Invasion of Iraq” werkte samen met ultraconservatieve onderzoekscentra (think tanks) die dezelfde ideeën verdedigden. Het probleem was dat het lobby en zijn medewerkers slechts een deel van de beschikbare informaties selecteerde. Dit leek meer op propaganda. Als men hierop achteruitkijkt, blijkt deze beschuldiging niet onvoorstelbaar. In vroegere tijden heeft de oprichting van lobby’s al goeie resultaten opgeleverd, bij voorbeeld vóór het eerste Golfoorlog. De aanpak van de toenmalige drukkingsgroep (Citizens for a Free Kuwait) was dezelfde als het “Committee for the Liberation of Iraq”. Het is al lang bewezen dat de leden van dat lobby verkeerde of zelfgemaakte inlichtingen hebben verspreid.

Naast de lobby’s en als tweede fase in het plan komt een officiele instelling in actie : the Office of Global Communications. De office coördineerde en versterkte de berichten (of de propaganda) van de Amerikaanse administratie. Met weapons of mass communication had het de opdracht om de hele wereld te overtuigen dat Irak beschikte over weapons of mass destruction.

De derde stap is alleen noodzakelijk als er nog twijfelachtige publieke opinies blijven bestaan. Hier zijn alle middelen veroorloofd : demonstraties op de been zetten (ook in het buitenland) of valse getuigenissen aan het licht brengen. Dat was het job van de Office of Strategic Influence die met de Pentagone verbonden was. Zijn officiele leven was kortstondig maar clandestiene acties blijven duren.

Wat een doeltreffende tactiek ! De Bush administratie heeft nooit kunnen bewijzen dat Irak een onmiddelijke gevaar voorstelde. Dankzij een goed voorbereide mediatische campagne heeft de President toch aan het langste eind getrokken. Zijn leugens hebben hem genoeg steun van de bevolking en van verschillende landen bezorgd. Hoe is dat mogelijk ? Wil Bush dit soort vrijheid in Irak vestigen ? Is dat democratie ofwel pseudocratie ?

De Boys zijn nu al een paar jaren aanwezig in Irak en steeds minder mensen geloven de President. Maar het kwaad is geschied en niet alleen in Irak. De media, vooral in de Verenigde Staten maar ook in andere Westerse landen, hebben hun rol van waakhonden niet gespeeld. Zij hebben de propaganda van Bush zonder verdere gemoedstoestanden verspreid. De vierde macht is een deel van zijn geloofwaardigheid kwijt. We kunnen ons trouwens afvragen of kranten, radio en televisie nog de onontbeerlijke taak van tegenwicht kunnen opeisen.

Renaud Deworst

http://hebdo.nouvelobs.com/hebdo/parution/p20030213/dossier/a120395-les_pros_de_la_propagande.html

The New American Militarism

The New American Militarism

- Stephanie Ceulemans

http://video.google.nl/videoplay?docid=1260516895818511114&q=Andrew+Bacevich&pr=goog-sl

Zijn Amerikanen verknocht aan oorlog? Het “Amerikaans imperialisme”, een term die vandaag erg actueel is, wordt gevoed door hun constante drang naar militaire suprematie. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de Verenigde Staten continu in oorlog geweest. Waarom streven ze naar militaire macht? Is militair optreden voor de Amerikanen vanzelfsprekend geworden? President George W. Bush kreeg bijvoorbeeld de steun van de bevolking in een referendum, dat gehouden werd na de aanslagen van 11 september 2001( Johnson, 2006, p.13). Iedereen, die betrokken zou zijn geweest bij de aanslagen, mocht aangevallen worden door de Verenigde Staten waar ook ter wereld, zonder rekening te houden met internationale legitimiteit of met de soevereiniteit van landen. Is er sprake van Amerikaans militarisme? Ontelbare beeldfragmenten, artikels, etc. kan men terugvinden rond het thema “Verenigde Staten en militarisme.” Ik heb echter gekozen voor een lezing door professor Andrew J. Bacevich, die zijn boek “The New American militarism How Americans are seduced by war” voorstelt op 4 mei 2005 voor The World Affairs Council in San Francisco, California. The World Affairs Council (
www.itsyourworld.org) is een non-profitorganisatie omtrent internationale relaties, gesticht in 1947 naar aanleiding van het stichten van de Verenigde Naties in 1945. Andrew J. Bacevich is professor internationale relaties aan de universiteit van Boston.
Bacevich meent dat het “Nieuwe Amerikaans Militarisme” een obsessie is voor alle Amerikanen, zowel voor liberalen als voor republikeinen. Er zijn inderdaad factoren die steeds meer op een Amerikaans militarisme wijzen. Generaal Tommy Franks, gezagvoerder van de Amerikaanse inval in Bagdad stelde dat een volgende terreuraanval zou leiden tot een meer militaire regeringsvorm in de Verenigde Staten (Johnson, 2006, p.14).Volgens Bacevich lagen de gebeurtenissen van 11 september 2001 echter niet aan de basis van dit militarisme, in tegenstelling tot vele Amerikaanse critici. Het Amerikaans militarisme bestaat echter langer dan september 2001. Vanaf het einde van de 19de eeuw zijn de Verenigde Staten erg veel in oorlogen betrokken geweest. Doorheen het bestuur van de voorgangers van president Bush, is dit “militarisme”gegroeid. Bacevich is wel conservatief ingesteld en gelooft in de noodzaak van het leger. Een nieuwe vorm van militarisme manifesteert zich echter in de Verenigde Staten. Dit militarisme wordt allereerst gekenmerkt door de te hoge verwachtingen, wat betreft de efficiëntie van het leger. Ten tweede is er de militaire macht als meetinstrument voor internationale grootheid. Ten derde is er het geromantiseerd beeld van de soldaten. Wat betreft de te hoge verwachtingen die door de Amerikaanse bevolking worden gesteld, kan men terug in de geschiedenis gaan. De oorlog in Vietnam duurde langer dan verwacht en uiteindelijk verloren ze een lange en slopende strijd. Een kleine halve eeuw later, bevrijden de Amerikanen Irak van het wrede dictatoriaal bestuur van Saddam Hoessein. De prijs die men moest en nog steeds moet betalen voor Operation Iraqi Freedom is zeer hoog. Ten tweede, is militaire macht een pronkstuk voor internationale erkenning? Gelooft de Verenigde Staten dit zelf? Sinds het einde van de 20ste eeuw bleven ze toch hun wapenarsenaal uitbreiden. Dit is echter nutteloos omdat geen enkel ander land nog in staat is om het tegen hen op te nemen. Bovendien spenderen de Amerikanen meer aan defensie dan alle landen in de wereld samen. Dit is nog nooit eerder in de geschiedenis gebeurd. Daarnaast is er het geromantiseerd beeld van de Amerikaanse soldaten. Er zijn immers talrijke video’s, website’s, enz. op het internet te vinden die de Amerikaanse soldaat verheerlijken. Een artikel “The truth about Jessica” op de website van de Britse krant The Guardian (2003, 15 mei) brengt het verhaal van soldaat Jessica Lynch, die op heldhaftige wijze zou bevrijd zijn van de Irakezen door de Amerikaanse troepen in 2004. Jessica Lynch werd thuis als een heldin onthaald. De media ging zelfs zo ver dat NBC een TV-film over haar gemaakt heeft “Saving private Lynch.” Maanden later, ontdekten BBC-journalisten dat het verhaal niet helemaal bleek te kloppen. De argumenten van Bacevich houden steek. Toch zijn er twijfels omtrent een opkomend “militarisme” binnen de Verenigde Staten. Ten eerste blijkt het leger toch niet zo populair te zijn, wanneer men enkele statistieken bekijkt (Desch, 2006). Nog nooit is het aantal jongeren, die zich aanmelden bij het leger, zo laag geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog streed ongeveer tien percent van de Amerikaanse bevolking mee in het leger. Tijdens de Koude Oorlog was dat 2 percent, nu is dat slechts 0.5 percent. Er moet steeds een onderscheid gemaakt worden tussen militarisme, wat de verheerlijking van oorlog betekent en “het militaire”, het in staat te zijn om ten oorlog te gaan. Houdt Bacevich hier voldoende rekening mee? Er bestaat misschien wel zoiets als Amerikaans militarisme, maar dan wel in een maatschappij waarin steeds minder en minder belang wordt gehecht aan het ten strijde trekken voor je vaderland. Tenslotte, zijn de Amerikanen zich wel bewust van een opkomend militarisme? Of willen ze het niet weten? Johnson (geciteerd in: Bellamy Foster en McChesney, 2004) stelt dat de meeste Amerikanen niet willen aanvaarden dat de Verenigde Staten de wereld in haar greep heeft. Zij hebben de militaire macht. Ze zijn er zich niet bewust van of willen niet weten dat Amerika imperialistisch is. Sinds de problemen in Irak, groeit de kritiek , komende van Amerikaanse burgers, elke dag. Ten tijde van de oorlog in Vietnam, hadden de Amerikanen er ook op een bepaald moment genoeg van. In hoeverre staat de Amerikaan eigenlijk achter dit militarisme?
Algemeen worden de standpunten van Bacevich omtrent militarisme positief onthaald. Ongetwijfeld is er een sterk Amerikaans militarisme aanwezig. Zowel critici, politici, als de gewone burgers kunnen dit niet langer ontkennen. In films wordt oorlog verheerlijkt. De Amerikaanse media speelt ook een uiterst grote rol. Zo worden er zelden foto’s of feiten vrijgegeven aan het publiek over het aantal burgers die gedood worden door Amerikaanse troepen (Johnson, 2006, p.30). Op de redactie van een dagblad uit Florida werden er in oktober 2001 instructies gegeven aan hun journalisten. Geen foto’s van burgersslachtoffers van de oorlog in Afghanistan mochten gebruikt worden op frontpagina. Verhalen over vermoorde burgers mochten slechts verder in de krant aan bod komen.
Volgens Bacevich lijkt de militaire suprematie een instrument geworden voor het verspreiden van “the American way of life”, voor het verspreiden van “democratie.” Bacevich quoteert socioloog C. Wright Mills, “The only accepted plan for peace is a loaded pistol.”

Referenties:
Bellamy Foster J. en McChesney R. W. (2004). The American Empire: Pax Americana or Pox Americana? Monthly Review, 56 (4)

Desch M. (2006). Civil-Militarism: The Civil origins of the New American Militarism Orbis, 50 (3), 573-583.

Johnson, C. (2006). Nemesis. The last days of the American Republic. New York: Metropolitan books.

The Guardian Unlimited (15 mei 2003) The truth about Jessica. Geraadpleegd op 27 december 2007 op
http://www.guardian.co.uk/Iraq/Story/0,2763,956255,00.html

The World Affairs Council. Geraadpleegd op 30 december 2007 op
www.itsyourworld.org


Noot: Indien er problemen zijn met het bekijken van de video via Google Videos, kan je een audioversie terugvinden op de website van de The World Affairs Council
http://wacsf.vportal.net/



New Rome, New Jerusalem

New Rome, New Jerusalem

-Stephanie Ceulemans


Rome was één van de grootste rijken in de geschiedenis. Na Rome kwamen ondermeer de Britten, de Fransen en Spanjaarden. En toen was er de Verenigde Staten. Reeds sinds de jaren ’60 is de term “Pax Americana” , in navolging van de “Pax Romana” van keizer Augustus, ons niet meer vreemd. Andrew J. Bacevich is professor internationale relaties aan de universiteit van Boston. Sebastian Mallaby is auteur van “After Apartheid: The Future of South Africa (1992)” en journalist bij The Washington Post. In het artikel “New Rome, New Jerusalem” zoeken zij naar de oorsprong van “Pax Americana.” Wat zijn de uitdagingen en welke prijs zal hiervoor betaald worden? Inleidend wordt het unieke van de Verenigde Staten benadrukt. Bacevich en Mallaby stellen aanvankelijk dat de Verenigde Staten nooit kolonies heeft gehad. Wel wordt er verwezen naar de “indirecte invloed” die Amerika zou hebben op andere landen. Heeft de Verenigde Staten nooit gekoloniseerd? Het expansionisme van de Verenigde Staten sinds de 19de eeuw is informeler dan de kolonies van het Britse imperium (Gindin en Panitch, 2003, p 11). Het blijft echter een vorm van kolonisering. Sinds de 19de eeuw wordt het transport van Amerikaanse goederen beschermd in Latijns-Amerika. Daarnaast zijn er ook Puerto Rico, Filippijnen en Hawaï, zijn of waren dit geen kolonies?
Vervolgens stellen de auteurs dat hun land meer uit is op het “verleiden” van de andere landen tot “the American way of life” dan op het laten gelden van hun militaire macht. Na de Tweede Wereldoorlog was de aantrekkingskracht van de bloeiende Amerikaanse vrije economie inderdaad groot (Gindin en Panitch, 2003, p.9). Het militaire aspect mag echter niet onderschat worden. Bovendien is dit statement, komende van Amerikaans historicus Andrew J. Bacevich, vreemd. In een andere post op deze blog bespreek ik immers een lezing van Bacevich omtrent zijn boek rond het “The new American militarism.” Daarin stelt hij dat de Verenigde Staten graag de wapens gebruiken om de “democratie” te verspreiden.
In navolging van de Europese rijken, is er nu de “Pax Americana.” De “Pax Americana” staat echter in het teken van vrijheid. Thomas Jefferson sprak over “een rijk van vrijheid.” Is de Verenigde Staten werkelijk “een imperium van vrijheid?” Is de link tussen de Verenigde Staten en vrijheid zo vanzelfsprekend? Ze verkondigen de democratie, vrijheid en het individualisme. Volgen de Amerikanen echter zelf deze waarden? De oorlog in Irak is een goed voorbeeld. In een andere post op deze blog heb ik het voorbeeld besproken van een dagblad uit Florida (Johnson, 2006, p.30). Daar werden de journalisten begin 2004 aangespoord zo weinig mogelijk de burgerslachtoffers van de oorlog te vermelden in de krant. Is dit vrijheid?
Amerika zal de wereld “leiden” naar vrijheid en democratie. Zij die tegen de Verenigde Staten zijn, zijn tegen vrijheid. 11 september 2001 heeft deze gevoelens versterkt. “They hate our freedoms.” zei George W. Bush. Misschien hebben de aanslagen wel iets te maken gehad met de manier waarop de Verenigde Staten de globale macht opeisen. In hoeverre erkennen de regeringsleiders van de Verenigde Staten zelf hun globale suprematie? Wilden de regeringsleiders de bevolking afleiden van de gevolgen van imperialisme. Pas naar het einde toe van de 20ste eeuw kwam het “Amerikaans imperialisme” steeds meer op de voorgrond(Gindin en Panitch, 2003, p 3). Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright stelt in 1998, “If we have to use force, it is because we are America. We are the indispensable nation.”Het ontwijken van “imperialisme” kon niet blijven duren.
Bacevich en Mallaby vergelijken het huidige “rijk” van de Amerikanen met het Romeinse Rijk. Blijkt nu dat de Amerikanen anders met hun macht omgaan. Het belangrijkste verschil is dat de Verenigde Staten vooral steunt op een populistische politiek, terwijl de Romeinen prat gingen op hun aristocratische waarden. Zo zouden zij toch trouw blijven aan hun republikeinse waarden, trouw aan hun volk. Is dit werkelijk zo? De huidige Amerikaanse politiek is deels populistisch. Getuige hiervan zijn de vele toespraken van de Amerikaanse president. De Amerikaanse politiek is echter tevens een politiek geworden die angst creëert en extreem patriottisme propageert (Ahmad, 2003, p.60). Zorgt de Amerikaanse overheid er niet voor dat het volk enkel hoort wat ze graag willen horen? Het voorbeeld van de krant uit Florida staaft dit. Zijn dit dan republikeinse waarden? Het streven naar “Pax Americana” zou voor problemen zorgen voor de Verenigde Staten. Eén van deze obstakels is de steun van de Amerikaanse bevolking. Deze steun is echter zeer contigent. De Amerikanen beseffen hun globale macht niet eens. Of ze willen dat de Verenigde Staten de grootste macht ter wereld is, maar een prijs, die ondermeer oorlog betekent, willen ze er niet voor betalen. De Amerikaanse burgers beseffen dat aan de oorlog in Irak een prijskaartje hangt. Het Amerikaanse protest tegen de oorlog in Irak groeit elke dag. Tenslotte is het laatste obstakel van de “Pax Americana” de vrijheid zelve. Vrede en vrijheid zouden bereikt worden zoals de Verenigde Staten het wil. Dit is een contradictio in terminis. Want zo verliest vrijheid zijn betekenis. Vrijheid is geen vrijheid meer, als die bepaalt wordt door een staat. Welke vrijheid is het dan? De Verenigde Staten moeten volgens Bacevich en Mallaby kiezen tussen unilateralisme en multilateralisme. Het is immers makkelijker om in een conflict tussen te komen, wanneer je de steun hebt van de internationale gemeenschap. Het leiderschap van de Verenigde Staten en de internationale legitimiteit moeten gecombineerd worden. Doen ze dit al niet? Tevens Bacevich en Mallaby wijzen hierop. De Wereldbank en de Verenigde Naties worden bijvoorbeeld overheerst door de Verenigde Staten. Bacevich en Mallaby besluiten dat de primaire rol van de Verenigde Staten belangrijk blijft in de wereld en dat dit moet uitgespeeld worden. Het is zo dat de Verenigde Staten het sterkst staan in de wereld, maar zal dit ook zo blijven?

Bacevich, A.J. en Mallaby, S. (2002) New Rome, New Jerusalem Wilson Quarterly, 26 (3).




Referenties:
- Ahmad A. (2003). Imperialism of Our Time. In Leys C. en Panitch L. (Eds) The new
imperial challenge. (pp. 43-63). Londen: Merlin Press.
- Gindin S. & Panitch L. (2003). Global capitalism and American empire. In Leys C. en
Panitch L. (Eds.) The new imperial challenge. (pp. 2-42). Londen: Merlin Press.
- Johnson, C. (2006). Nemesis. The last days of the American Republic. New York:
Metropolitan books.



zaterdag 29 december 2007

Monopoly Media Manipulation

Egon Gussé
29/12/2007

In mijn vorige bijdrages heb ik het gehad over de invloed van leugens. Leugens zijn natuurlijk niets waard zolang ze de bevolking niet bereiken. Daarom wil ik me nu buigen over de rol van de - laten we hopen - vooral Amerikaanse media in de verspreiding van verkeerde of onvolledige informatie. Omdat Parenti in zijn lezing de pers een aantal keer een veeg uit de pan geeft, wou ik zijn visie wel eens horen. Deze post is dan ook gebaseerd op één van zijn - nogal vulgariserende - artikels, nl. "Monopoly Media Manipulation".

Tijdens zijn lezing vaart Parenti plots uit tegen de mediamagnaat Rupert Murdoch. Daarom heb ik als inleiding eens gekeken naar wat die Rupert Murdoch allemaal misdoet in de ogen van progressief Amerika. Nogal wat zo blijkt, zo schrikt hij er bijvoorbeeld niet voor terug om de media naar zijn pijpen te doen dansen. Dankzij de lakse Amerikaanse mediawetgeving heeft hij immers een indrukwekkend media-imperium uitgebouwd (http://www.americanprogress.org/issues/2004/07/b122948.html) waarvan de cijfers behoorlijk onthutsend zijn: Murdochs satellieten zenden in vijf continenten programma's uit en zijn de belangrijkste in Groot-Brittanië, Italië, delen van Azië en het Midden-Oosten. Hij publiceert niet minder dan 175 (!) kranten/tabloids waaronder The New York Post, The Wallstreet Journal, The Times en The Sun. In de V.S. is hij ook de baas van 20th Century Fox Studio, Fox Network en nog zo'n 35 zenders, wat in totaal goed is voor 40% van het Amerikaanse marktaandeel (2004). De macht die Murdoch over de media heeft is dus gigantisch. Niet voor niets stond hij ook dit jaar weer op de tweede plaats in Fortune's lijst van meest machtige zakenmensen (http://money.cnn.com/galleries/2007/fortune/0711/gallery.power_25.fortune/2.html). Helaas gebruikt hij die macht ook voor zijn eigen profijt, soms met verregaande gevolgen. Murdoch staat immers bekend als een uitgesproken rechts, conservatief persoon. Zo sprak hij in de aanloop naar de oorlog in Irak bijzonder lovend over Bush en Blair. De eerste handelde in zijn ogen zeer correct en moreel verantwoord, de tweede was "full of guts". En terwijl Bush en Blair ten allen tijde ontkenden dat de invasie rond oliebelangen draaide, zei Murdoch doodleuk dat de invasie voor goedkopere olieprijzen zou zorgen. Iets waar hij trouwens zeer enthousiast over was: de prijs voor een vat olie naar 20$ krijgen was volgens hem het beste wat de wereldeconomie kon overkomen (http://www.americanprogress.org/issues/2004/07/b122948.html). Het wekt dan ook geen verbazing dat bij het begin van de oorlog alle 175 kranten van Murdoch zich achter Bush en Blair schaarden (http://www.guardian.co.uk/Iraq/Story/0,2763,897015,00.html).

Parenti heeft dus blijkbaar geen ongelijk wanneer hij in het begin van zijn artikel zegt dat de media al te vaak de dominante officiële ideologie (meestal die van de geldschieters)reflecteren. Hij merkt terecht op dat diezelfde media ondertussen blijven verklaren dat ze vrij en onafhankelijk te werk gaan, een objectief beeld scheppen en kritische commentaar afleveren. Ze geven wel toe dat er af en toe onnauwkeurigheden in de berichtgeving sluipen maar dit is volgens hen inherent aan de journalistiek. Met andere woorden: er zijn onvolkomenheden maar ze zijn niet het gevolg van een systematische aanpak. Een kritische buitenstaander durft dan al eens de wenkbrauwen te fronsen, want hoe verklaart men dan dat Murdochs kranten in 2003 stuk voor stuk de mening van de overheid verkondigden? Dit klakkeloos kopiëren is maar één van de tactieken die de media toepassen, in de rest van zijn artikel stelt Parenti de meeste gebruikte manipulaties op een rijtje. Ik stel voor dat we die even onder de loep nemen.

Een eerste mechanisme is het weglaten van bepaalde elementen van het verhaal of eventueel zelfs het verzwijgen van het hele verhaal. Het veel gehoorde verwijt dat de pers te sensationeel en aanvallend is, klopt daarom niet helemaal. In veel gevallen worden - voor de overheid - vervelende zaken met de mantel der liefde bedekt. Zelfs monumentale gebeurtenissen kunnen in de vergetelheid raken. Parenti bewijst dit aan de hand van de Indonesische militaire coup (1965) die door de V.S. gesteund werd en die zeker aan 500.000 mensen het leven heeft gekost. Vreemd genoeg duurde het maar liefst drie maand voor het verhaal in de V.S. gepubliceerd werd.

Wanneer het verzwijgen van feiten faalt, kiezen de media vaak voor de frontale aanval. Ze stellen daarbij alles in het werk om het verhaal in diskrediet te brengen. Dit kan tot op het randje van toelaatbare gaan en indien nodig verspreidt men flagrante leugens.

Een andere courante praktijk is het toekennen van labels aan nieuwsitems. Het label verschaft het onderwerp dan bepaalde kenmerken die de aandacht van andere eigenschappen afleiden. Naast labels met een positieve connotatie zoals "hervormingen" (want deze betekenen vooruitgang) en "de vrije markt" (want die werkt helend), zijn er natuurlijk ook negatieve zoals "linkse guerrilla", "Islamitisch terrorisme" etc.

Het vernauwen van de context is eveneens een mogelijkheid. Dit principe is behoorlijk simpel: men vertelt enkel de oppervlakkigheden en de gevolgen, maar men gaat niet dieper in op het groter plaatje en de substantiële oorzaken. Zo zullen we bijvoorbeeld veel te weten komen over de gevolgen en het verloop van stakingen maar veel minder over wat de substantiële beweegredenen zijn. Hetzelfde gebeurde bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2000 in Florida: daar gingen de media er al te makkelijk vanuit dat Bush gewonnen had. Het onderzoek dat naar de legitimiteit van de verkiezingen liep kreeg nauwelijks aandacht. Het vernauwen van de context kan op zijn beurt gekoppeld worden aan de ongelijke aandacht die de pers aan alternatieve visies geeft. In veel gevallen krijgen tegengestelde visies niet evenveel mogelijkheden om hun versie te verkondigen. Natuurlijk is het steeds de officiële versie die de meeste aandacht zal krijgen. Wanneer het dan toch eens lukt om een dissidente mening te verkondigen, dan wordt deze gemakshalve genegeerd en gaat men er niet dieper op in.

Ook het kader waarin een nieuwsitem wordt gebracht speelt een grote rol in de perceptie. Volgens Parenti is het zelfs de meest effectieve propaganda. Door te spelen met de intonatie, de achtergrond(muziek), kleuren, de plaats in het journaal enz. dringt men de toeschouwers/lezers onmiddellijk een mening op. Het alwetende toontje van de nieuwsankers kan die claim nog versterken.

Het gebeurt meer dan eens dat de media klakkeloos overnemen wat de overheid zegt. De media zijn in dat geval niet meer dan een doorgeefluik naar de bevolking. Dit was bv. het geval in de kranten van Murdoch. Wie zich hiertegen verzet wordt opnieuw de grote boeman, de media willen immers ten allen tijde hun aura van objectiviteit behouden.


Conclusie:
Als we de media mogen geloven dan gebeuren dingen "zomaar". Ze stellen zich haast nooit de vraag waarom dingen gebeuren. Personen die dit toch doen vinden daardoor bijna geen (populaire) fora om hun mening te ventileren. Iemand als Parenti trekt daar polemische conclusies uit: volgens hem doet de media hun werk voortreffelijk want het is al lang hun bedoeling niet meer om de waarheid te vertellen. Het is hun job om onder het mom van betrouwbaarheid desinformatie te verschaffen. De discussie moet daarom ook niet gaan over de fouten in de media, maar over de manier waarop de media er toch in slagen om het dominante paradigma te bijven.



Bronnen:

Four Bloody Lies of War

Wat volgt is informatie uit een artikel van de Colombus Free Press, die nieuws biedt onder de slogan “Speaking truth to power”. Ik neem dit artikel als vertrekpunt omdat het een basisvisie geeft op het Amerikaanse beleid. Het artikel werkt de verschillende aangehaalde voorbeelden niet uit (helaas), maar zet een aantal belangrijke historische kwesties op een rijtje, die de lezer uitnodigen om verder te lezen over het onderwerp en een kritische blik te werpen op een aantal voorgeschotelde “waarheden”.

De Free Press kwam voort uit de anti-oorlogsbeweging op de campus van de Ohio State University in Colombus (1970). De krant rapporteert dus vanuit een links geïnspireerde visie. De auteur van dienst is Harvey Wasserman: auteur, journalist en activist. Het artikel is kort en bondig, weinig onderbouwd met bewijzen of verwijzingen, maar het is dan ook een krantenartikel waar uiteraard geen voetnoten in thuis horen. Wasserman wil het internationaal beleid van de VS aanklagen, en dan vooral haar interventie/oorlogszucht. De VS, zegt Wasserman, hebben de voorbij eeuw reeds tal van leugens gebruikt om ten oorlog te trekken. Irak is slechts één geval in het rijtje. Wat met de Amerikaanse aanvallen op Cuba in 1898, de VS-interventie in de Wereldoorlog I in 1917 en haar interventie in Vietnam in de jaren 1960?

Anno 1898: Puerto Rico, Cuba en de Filipijnen staan op tegen de Spaanse overheersing. Hearst en Roosevelt vragen om Amerikaanse interventie. Wanneer het oorlogsschip Maine vervolgens de haven van Havana bereikt, wordt het plots opgeblazen, waarbij ongeveer 250 Amerikanen de dood vinden. Spanje krijgt de schuld toegewezen en de hel breekt los. Puerto Rico wordt door de VS geannexeerd, in Cuba en de Filipijnen worden coloniale regimes geïnstalleerd. Guerrilla’s blijven strijden, een anti-imperiale beweging richt zich op. Tal van doden vallen.

Nieuwe technologie heeft echter aangetoond dat de Maine van binnen uit opgeblazen werd, zij het door een defecte boiler, zij het door vergissing met de munitie, maar zeker niet door een Spaanse mijn of torpedo. De Spaans-Amerikaanse Oorlog is er dus gekomen op grond van een grove leugen.

In 1915 laten de Duitsers, als onderdeel van een blokkade tegen Groot-Brittannië, het passagiersschip Lusitania zinken, op haar weg van New York naar Londen. Meer dan duizend mensen sterven. Woodrow Wilson beschuldigt Duitsland van het schenden van het internationaal recht. De Duitsers van hun kant beweren dat de Lusitania wapens meevoerde en dat bijgevolg Duitsland geheel in haar recht was het schip te laten zinken. Onder druk van de Amerikaanse bevolking, die niet ten oorlog wilt trekken, trekt Wilson de troepen uit Mexico terug en werpt hij zich in 1916 op als “vredeskandidaat” met de slogan “He Kept Us Out of War”. In April 1917 echter, sleurt Wilson de VS in de oorlog, met de Lusitania-kwestie als dekmantel. Meer dan 100.000 Amerikanen sterven.

Duikers hebben recent de Lusitania teruggevonden, haar romp vol illegale bewapening. Het schip had inderdaad het internationaal recht overtreden en Wilson heeft dus op basis van “faulty intelligence” de VS de oorlog in geduwd.

Vietnam dan. Zoals algemeen geweten hebben de VS de 1956-verkiezingen aldaar tegengewerkt om zo Ho Chi Minh en het communisme de kans te ontnemen de macht te grijpen. Toen Noord-Vietnam zogezegd twee Amerikaanse schepen onder vuur nam in de Golf van Tonkin, ging de bal helemaal aan het rollen (letterlijk in het artikel: In 1964 North Vietnamese allegedly fired on two US ships in the Gulf of Tonkin*). President Lyndon Johnson gebruikte de incidenten als lokmiddel om het Congress te overtuigen ongelimiteerde interventie goed te keuren. Tegen 1967 waren reeds 550.000 Amerikaanse troepen aanwezig in Zuid-Oost-Azië. De Vietnam-oorlog heeft gevolgen tot op de dag van vandaag.

Blijkt echter dat de incidenten in de Golf van Tonkin wellicht nooit plaats gevonden hebben. De schoten zijn wellicht nooit afgevuurd. En zelfs als ze wel afgevuurd zouden zijn, had een dergelijke aanval geen militaire betekenis. De Vietnam-gruwel werd gebouwd op de fundamenten van een leugen.

Debat woedt nog steeds hevig over de wortels van Wereldoorlog II en Korea. Zo zou Roosevelt geweten hebben dat Japan Pearl Harbor zou aanvallen en heeft hij het toch laten gebeuren, en zou Zuid-Korea Noord-Korea eerst aangevallen hebben, en niet andersom. Bewijzen ontbreken echter nog.

Vandaag moeten we ook de leugens van de Bush-administratie aan het lijstje toevoegen. De VS trokken Irak in 2003 niet binnen omwille van vermeende massavernietigingswapens of omdat Saddam Hussayn betrokken zou zijn bij de aanslagen van 9/11. De Amerikaanse regering wist wel beter. Toch werden deze verhalen als dekmantel gebruikt om ten oorlog te trekken.

Deze leugens hebben – indien waar – ongetwijfeld bijgedragen tot de uitbarsting van deze oorlogen. Er zullen echter ook nog andere oorzaken aan de basis liggen, waar in dit artikel geen aandacht aan geschonken wordt. Dergelijke basic artikels zijn te promoten omdat ze vragen oproepen en de lezer aanmoedigen kritischer te denken en zelf meer informatie opzoeken. Toch mis ik nog iets in de redevoering.

* Bijkomende opmerking (zoals Egon mij terecht tipte, bedankt!): de aanvallen in de Golf van Tonkin gebeurden op één schip op twee verschillende dagen. De eerste aanval werd bewezen, de tweede niet. De goedkeuring voor Amerikaanse interventie kwam er echter op basis van die tweede aanval. De auteur is hier niet geheel duidelijk over.

Wasserman, H. (2005): Four Bloody Lies of War, From Havana 1898 to Baghdad 2003. In: Colombus Free Press, 8 mei 2005.
Beschikbaar op http://freepress.org/columns/display/7/2005/1123
Meer over de auteur op http://www.harveywasserman.com/

Ann-Kathleen de Sagher

The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire

In zijn artikel ‘The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire’ neemt Niall Ferguson een opmerkelijk standpunt in in het discours rond imperialisme. Vele mensen duizelen bij het idee alleen al, maar voor Ferguson is een imperialistisch Amerika de enige manier om een wereldorde te handhaven en de westerse waarden en rijkdom veilig te stellen. De Verenigde Staten zijn een imperium en dat is volgens hem nog niet zo slecht. Hoog tijd dat de Amerikanen zich ook bewust worden van deze macht, vindt de auteur, opdat zij deze op een efficiënte manier zouden aanwenden.

Alhoewel vele vorsers het moeilijk hebben het begrip te definiëren, stelt dat voor Ferguson niet zo’n groot probleem. Op basis van een tabel met imperialistische karakteristieken, worden de VSA snel en eenvoudig een imperialistische macht toegeschreven. De eigenschappen die het land hiervoor bezit, zijn volgens de auteur de volgende: “a liberal democracy and market economy (..) concerned with its own security and maintaining international communications,…, with ensuring access to raw materials. It is also in the business of providing a limited number of public goods: peace by intervening,…, freedom of the seas and skies for trade, and a distinctive form of conversion usually called Americanization,…, its method of formal rule are primarily military in character; its methods of informal rule rely heavily on corporations and nongovernmental organizations, and in some cases, local elites.” (Ferguson, pg. 20)

Bovenstaande kenmerken lijken inderdaad te bevestigen dat Amerika een imperium is. Toch zijn er, bij nader inzien, enkele grote onduidelijkheden. Zo kan er opgemerkt worden dat Amerika niet aan gebiedsuitbreiding doet, wat ook in het artikel vermeld wordt. De auteur maakt daar geen probleem van, maar als je naar de geschiedenis kijkt, lijkt dat een basisvoorwaarde te zijn waar alle imperialistische grootmachten aan voldeden. In hoeverre is dit element noodzakelijk om van een imperium te kunnen spreken? Robin Blackburn blijft in zijn artikel ‘Emancipation & empire, from Cromwell to Karl Rove’, vaag over de imperialistische staat van de VSA. Af en toe gebruikt hij zelfs woorden als ‘informeel imperialisme’ (pg. 77) ‘neo-imperialisme’ (pg. 86) om te onderlijnen hoe dubieus de macht van de VSA is. Ook hij stelt vragen bij de nodige gebiedsuitbreiding en vraagt zich af of de vele militaire basissen en allianties misschien een moderne vorm hiervan zijn. (Blackburn, pg. 77) Vast staat dat Blackburn een onderscheid maakt tussen de huidige VSA en de vroegere grote imperia waar het land nu mee wordt vergeleken.

Ook Ian Jackson trekt de imperialistische macht van de VSA in twijfel, wanneer hij het boek ‘Colossus: The Rise and Fall of the American Empire’ van Ferguson, bespreekt in het artikel ‘The new American empire examined’. In zijn kritiek vindt hij steun in de onderzoeken van Joseph Nye, die als politicoloog verbonden is aan Harvard. Jackson stelt “The United States is unquestionable the world’s only military superpower, but this is not the case in economic terms. Washington is merely one of a number of commercial powers in an increasingly multipolar world economy.” Verder verwijst Jackson nog naar de steeds groeiende kritiek die de VSA krijgt, vanuit het Midden-Oosten, maar ook vanuit Europa en op de tegenwind die de grootmacht krijgt van zowel de Europese Unie als van Japan in bijvoorbeeld de WTO. (Jackson, http://findarticles.com/p/articles/mi_m 2242/is_1668_286 /ai_n11836968/print)

De vraag of de VSA wel of niet een imperium zijn, is dus niet zo eenvoudig te beantwoorden en dit voornamelijk door een gebrek aan duidelijke definiëring van het concept in de literatuur.
Waarover wel vele onderzoekers het eens zijn, is dat in deze wereld van grootmachten, de Verenigde Staten van Amerika de grootste macht zijn. Het uitgebreid internationaal, economisch en politiek netwerk van allianties en basissen in combinatie met hun militaire overmacht, maken van de VSA de belangrijkste en meest invloedrijkste internationale speler. Hierdoor is het automatisch ook de gevaarlijkste. Of de VSA al dan niet een imperium is, is meer een vraag naar wat een imperium in de 21e eeuw betekent, dan naar wat de VSA vandaag zijn.

Uit het artikel van Ferguson komt echter een nog interessantere vraag naar voren. Is dit Amerikaanse imperium,de enige manier om in de 21e eeuw in een wereldorde te voorzien en de toekomst van het Westen veilig te stellen? De auteur verspilt in zijn artikel weinig woorden aan eventuele alternatieven. Hij stelt enkel vast dat zowel de natiestaten als de internationale instellingen zoals de VN er niet in geslaagd zijn een wereldorde te creëren. Door mislukkingen op te noemen zoals de onmacht van de VN om op te treden bij humanitaire rampen als die in Darfur, Rwanda en de Balkan, tracht de auteur aan te tonen dat het internationalisme geen succesvol alternatief biedt. De natiestaten worden van de hand gedaan, door te wijzen op de vele interne conflicten en burgeroorlogen die zij met zich meebrengen. Met deze eenzijdige manier van argumenteren kan echter ook het imperialisme van tafel geveegd worden. Ferguson is de lezer hier echter voor en geeft toe dat momenteel, door toedoen van mislukkingen als Irak, ook het Amerikaans imperialisme lijkt te zijn mislukt. Toch is dit volgens hem enkel een oppervlakkig probleem en is het falen van het huidige Amerikaanse beleid louter te wijten aan foute beslissingen van de regering Bush en niet aan het imperialisme op zich.

Is dit een juiste stelling? Als we kijken naar de geschiedenis kunnen we niet anders dan vaststellen dat de imperia sinds het einde van de 19e eeuw geen lang bestaan meer kennen. Europese imperialistische machten kwamen, einde 19e eeuw, in elkaars koloniale vaarwater en zowel de eerste als de tweede wereldoorlog waren het resultaat van rivaliteiten tussen hen. Op het Europese continent, maar ook elders luidde de 20e eeuw het definitieve einde van het imperialisme in. Denk maar aan het Chinese Qing imperium, dat na bijna 300 jaar, in 1912, ten onder ging en het Ottomaanse rijk dat met WOI verdween na bijna 500 jaar. Om het tegendeel te bewijzen verwijst Ferguson naar de Sovjet Unie, maar die hield het niet lang vol. In 1991 was het alweer verdwenen. Bovendien verdwenen imperialistische staten niet alleen, andere machtsconstructies kwamen in de plaats, namelijk die van natiestaten en internationale - en supranationale instellingen en verdragen.

Het lijkt dus alsof in de huidige tijd er geen plaats meer is voor imperia. Welke redenen zijn voor deze stelling te vinden? Akira Iriye legt in zijn artikel ‘Beyond imperialism: the new internationalism’ het verband tussen de globalisering en het einde van het imperialisme en dit door middel van het nationalisme. “The processes of globalization that had facilitated imperialism were now encouraging the spread of anticolonial nationalism. … after the Great War, when economic globalization resumed, buttressed by such technological inventions as the airplane, the radio and the cinema. Imperialism however was not reinforced by this process but, on the contrary, was eclipsed by an ever more vociferous clamor for national liberation all over the world.” (pg. 112) Ook de Amerikaanse president Wilson droeg nationale soevereiniteit hoog in het vaandel. Na de tweede wereldoorlog werden internationale instellingen opgericht, zoals de Verenigde Naties ter bewaring van deze nationale onafhankelijkheid en soevereiniteit.

Iriye legt uit hoe imperialisme en globalisatie elkaar aanmoedigde tot de wereld zo klein was geworden dat er enkel nog maar plaats was voor dat laatste. Kolonies verbrokkelden en hiermee ook het imperialisme, telkens de kloof tussen bezetter en de onderdrukte kleiner werd.

Later in de 20e eeuw, werden internationale verdragen afgesloten rond waarden als mensenrechten en democratie. En het is hiermee dat grootmachten definitief een kruis zetten over het imperialisme. Hoe kan een wereldmacht zoals de VSA deze internationale waarden uitdragen wanneer het een imperialistisch buitenlandsbeleid voert? De twee staan haaks op elkaar en er zal gekozen moeten worden. Ofwel wordt het imperialisme verlaten, ofwel het internationalisme. Dat laatste is haast onmogelijk, elk individu weet waar het recht op heeft en een imperialistisch gedreven staat zal deze rechten moeten schenden om haar macht te doen gelden.

Amerika, als grootste macht ter wereld, heeft zich de laatste zes jaar al vaak moeten verantwoorden tegenover haar bevolking én de internationale gemeenschap. De inval in Irak is verlopen zonder de toestemming van de VN. Media speelden het spel even mee wanneer het verslag bracht van de WMD die in het land opgestapeld lagen, maar uiteindelijk rapporteerden diezelfde media dat dat allemaal één grote leugen was. De ene zender mag dan al meer beïnvloed zijn door de regering dan de andere, maar op youtube post ieder zijn eigen verhaal. In deze wereld van globalisering en internationalisering waar iedereen in contact kan komen met de ander en waar elkeen gelijk is aan de ander valt het serieus te betwijfelen of er op lange termijn een imperium vol te houden is. “Even if somehow a new empire were to emerge, that empire would have to embody principles of human rights and justice for all.” (Iriye, pg. 115)

Het is een feit dat het internationalisme nog niet op punt staat en dat vele van deze instellingen een spreekbuis zijn voor de VSA en het Westers liberaal kapitalisme. Hier zal nog veel aan moeten gesleuteld worden. Toch is dit geen reden om de wereldorde in handen te houden van één imperium. Het idee van een geglobaliseerde wereld ontneemt elke vorm van overmacht haar legitimiteit. Het is inderdaad zo dat Amerika nog steeds numero uno is, maar de vraag is of dit nog het geval zal zijn over honderd jaar. Zoals reeds besproken, wankelt haar machtspositie op verschillende punten.

“After all, there actually are other ways of securing international order. And there is no reason why the internationalist legacy, rather than the legacy of the briefly dominant new imperialism, should not serve humankind today.” (Iriye, pg. 116) Of zoals Blackburn het formuleert: “What is required is institutional innovation and a democratic new ‘cosmopolitics’ that nourishes the social and economic capacities of its constituent states.”

Gudrun Mostmans

Ferguson N., The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire, (2005), Daedalus, 134, 2, pg. 18-34.

Ook nog gebruikt:
Blackburn R., Emancipation & empire, from Cromwell to Karl Rove, (2005), Daedalus, 134, 2, pg. 72-87.
Iriye A., Beyond imperialism: the new internationalism, (2005), Daedalus, 134, 2, 108 – 116.
Jackson I., Then new American Empire examined, http://findarticles.com/p/articles/mi_m 2242/is_1668_286 /ai_n11836968/print