Posts tonen met het label videomateriaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label videomateriaal. Alle posts tonen

dinsdag 1 januari 2008

Breaking the silence : truth and lies in the war on terror

Wat is het verschil tussen de aanslagen op de World Trade Center en de bombardementen in Afghanistan of in Irak ? Heeft de dood van een Irakese burger dezelfde waarde dan de dood van een Amerikaanse burger ? Zijn er goede en gemene terroristen ? Met andere woorden, zijn de Bush administratie en de mannen van Al Quaïda beide vijanden van de vrijheid ?

In zijn reportage toont John Pilger, een australische onderzoeksjournalist, ons de twee gezichten van Amerika. Tussen de toespraken van de President en de realiteit op het oorlogsveld ligt er een brede kloof. Maar wie is hiervan op het hoogte in de Verenigde Staten ? De journalist komt ook terug op de banden tussen de Verenigde Staten en Al Quaïda en op verschillende andere interventies van de Verenigde Staten sinds de tweede wereld Oorlog. De heropbouw in Afghanistan, de propaganda of de Mensen Rechten komen ook aan bod. In het algemeen beschrijft deze reportage het “Amerikaanse imperialisme”. Een echte must !

Amerika leeft van veroveringen. De Amerikanen maakten zich eerst baas van de Westkust tot de Oostkust van een groot deel van Noord Amerika. In hun verbeeldingswereld blijft dit evenzo belangrijk als de American Dream. Dat is één van de grote bestanddelen van het Amerikaanse imperialisme. Anderzijds, schrikt de Amerikaanse administratie voor niemand. Zij voelen zich heel sterk en zijn steeds klaar om dit aan te tonen. Amerika beschikt over de machtigste leger ter wereld, de rijkste ondernemingen ter wereld en ook over invloedrijke media die een bepaald beeld van handel en wandel van Amerika weergeven. Alles is tot stand gebracht om Amerika te laten uitblinken. Het land blijkt onaantastbaar.

Onder deze make-up zit een ander imago. Imperialisme lijkt te rijmen op fascisme. Binnen de grenzen is de toestand vreselijk. Het eenheidsdenken werpt zich op tot staatsgoddienst. De bevolking wordt gemanipuleerd. Buiten de grenzen, wie geen voorstander van Amerika is wordt onmiddelijk beschouwt als een tegenstander. Zelf de Verenigde Naties kunnen bij deze categorie ingedeeld worden. De wereldorde wordt bepaald door Bush en compagnie. De andere landen moeten hun oorlogzuchtige agenda aanvaarden. En niemand kan iets er tegen doen zelfs als het internationale recht niet gerespecteerd wordt. Toch dient men hier een eventueel proces te overwegen. Maar iets in de aard van een Nuremberg proces is zeker niet denkbaar en in welke mate zou dit gegrond zijn ?


Renaud Deworst

http://video.google.fr/videoplay?docid=-210088912352527308&q=john+pilger&total=282&start=10&num=10&so=0&type=search&plindex=0

maandag 31 december 2007

De limieten van het imperialisme: Michael Mann.


Volgend essay betreft een bespreking van het interview met Michael Mann, Professor in de Sociologie, in de reeks ‘Conversations with History’. Het gesprek vond plaats aan de Universiteit van Berkeley op 27 februari 2004, na de publicatie van Incoherent Empire. Het interview beviel me in grote mate gezien zijn definitie van ‘empire’ (hier met kleine letter) contrasteert met de betekenis van het concept ‘Empire’ bij Hardt en Negri, beschreven in mijn essay ‘Het postnationale Empire van Hardt & Negri: een bespiegeling’. Na deze afweging volgt een bespreking van de relevante passages uit het interview volgens een zelf aangebrachte structuur.

In Incoherent Empire bestudeert Mann het imperialisme van de Verenigde Staten. Mann beschrijft de VS als actor in de internationale politiek, al kan deze niet onafhankelijk acteren. Uit het interview leid ik af dat Mann overtuigd is van de multipolariteit van het hedendaagse interstatelijke systeem, al spitst hij de noodzaak van internationale samenwerking hier enkel toe op militaire operaties van de Verenigde Staten buiten de eigen landsgrenzen. Op verschillende vlakken is een wezenlijk verschil waarneembaar met de visie van Hardt en Negri op het internationale systeem. Dezen beschouwen het kapitalistische systeem als allesoverheersend, en de VS slechts als een (evenwel dominante) actor in een opkomend wereldsysteem (Empire) dat door het globale kapitaal wordt geregeerd (Hardt & Negri, 2000). De VS is afhankelijk van dit kapitaal: haar politieke beleid vormt zich naar de economische belangen die spelen. Michael Mann beschouwt de VS als een (al dan niet imperialistische) voorname speler in een globale ruimte waarin naast ideologie ook politieke, economische en militaire macht de verhoudingen bepalen. Natiestaten functioneren binnen dit systeem in het nastreven van hun eigen belangen, niet gestuurd door een dwingende economische hand: ‘This is not the age of empire, this is the age of nation state. […] This is the main ideology of our times, national self-determination’.

In tegenstelling tot Hardt en Negri ligt de focus bijgevolg niet op het globale systeem, maar op de VS als actor. Waar het Empire van Hardt en Negri het imperialisme van de natiestaat naar het verleden verwees, zal Mann in zijn analyse de VS beschouwen als een ‘mogelijk’ imperialistische actor. Hardt en Negri onderscheiden ‘imperialisme’ en ‘Empire’, bij Mann dekken beiden dezelfde lading. Zijn analyse van de hedendaagse machtsverhoudingen én het principe van nationale soevereiniteit doen hem echter besluiten dat van imperialisme (ofwel: het Amerikaanse empire) vandaag geen sprake kan zijn.

In het interview beschrijft Michael Mann de evolutie van het Amerikaanse empire sinds 1945, wanneer de andere ‘empires’ met uitzondering van de Sovjetunie en de Verenigde Staten ineenstortten. De VS werd de dominante macht over tweederde van de wereld, al betrof het een indirect of informeel rijk: Men viel geen landen binnen maar ondersteunde cliëntstaten over de hele wereld. Na de implosie van de Sovjetunie werd de VS de enige supermacht, zeker op militair vlak. Waar de hegemonische macht onder Clinton indirecte controle bleef uitoefenen, zou de VS onder Bush Junior evenwel een meer agressieve rol opnemen: ‘embracing empire, going in and controlling places’.

‘Om algemene macht uit te oefenen’, zo redeneert Mann, ‘is een combinatie van vier machtstypes nodig: economische (controle over de productiemiddelen), ideologische (het geloofsysteem), militaire en politieke macht’. Mann analyseert in Incoherent Empire de actuele rol van de Verenigde Staten volgens deze vier factoren en toetst ze aan het klassieke ‘empire’, dat ontstaat wanneer een staat een andere binnenvalt en koloniseert. Pacificatie en politieke controle vereisen lokale bondgenoten aan wie machten worden gedelegeerd en die gradueel opgenomen worden in het empire. De patronagerelaties garanderen de ideologische macht. Wat vandaag voor het directe imperialisme van de Verenigde Staten moet doorgaan heeft echter met andere omstandigheden te maken. Mann geeft aan dat voor pacificatie zowat tweeëneenhalf maal het aantal troepen nodig is dat in de eigenlijke strijd werd ingezet. De verspreiding over het grondgebied, zo zagen we in Irak, maakt hen kwetsbaarder in confrontatie met guerillastrijders. Bovendien is er sprake van een ‘revolutie in de oorlogsvoering van de zwakke’ op vlak van wapens en communicatietechnieken.

Op politiek vlak viel de VS Irak binnen zonder zekerheid over lokale bondgenoten. Reden? Het nationalisme. Mann beschrijft hoe het Indische nationalisme ook zonder WOII de Britten had verjaagd en hoe de VS in Vietnam door het Vietnamese nationalisme werden verslagen. Het Britse (op India na) en Romeinse rijk kwamen hier nooit mee in contact. Vandaag de dag is het nationalisme echter gemeengoed en ook in Irak present: ‘We should be running our own country and not the Americans’. Deze ideologie heeft politieke consequenties gezien het minder evident wordt lokale bondgenoten te vinden voor de uitbreiding van het empire. De VS kan het zich bovendien niet veroorloven om het ideologische luik te negeren zoals in het kader van de Koude Oorlog meermaals gebeurde bij het steunen van despotische machthebbers etc. Aldus worden door Mann de limieten van het ‘gespierde’ rijk aangetoond. Mann concludeert dat de afhankelijkheid van deze factoren een klassiek imperialisme vandaag onmogelijk maakt. Hij keurt het echter ook moreel af via zijn verwerping van de universalistische moderniseringsthese: Zoals in Europa en de VS kan enkel een graduele opbouw van democratische instituties hen een duurzaam karakter bieden. In Irak heeft een restitutie van een gedecentraliseerde gemeenschap en patronagerelaties meer waarde dan het opleggen van democratische instituties die de hunne niet zijn.

De teneur van het interview leidt me tot volgende conclusie: Mann beschouwt de Irak-oorlog als een fatale vergissing. De Verenigde Staten zouden zich naar zijn mening meer moeten concentreren op een (desnoods agressieve) verzoeningspolitiek. In de praktijk kan de VS de rol niet spelen die haar wordt toegedicht: haar militaire macht schiet tekort in pacificatie, haar politieke macht is onzeker en haar ideologie contrasteert met de praktijk van het militarisme. Mann gaat niet specifiek in op de multipolariteit van het internationale staatsbestel, al kan zijn overtuiging terzake uit het interview worden afgeleid. Politieke en militaire samenwerking blijkt een vereiste, want de relatieve macht van de VS gaat, met uitzondering van het militaire domein, achteruit.


Referenties:

Hardt, M., Negri, A. (2000). Empire. Cambridge: Harvard University Press.

Mann, Michael (2003). Incoherent Empire. London: Verso.

Simon Pierens

The shadows in the cave (The power of nightmares)

http://video.aol.com/video-detail/the-power-of-nightmares-nederlands-deel-3-the-shadows-in-the-cave/1057936734

‘Shadows in the cave’ is het derde deel van de documentairereeks ‘The power of nightmares’. Deze reeks verdiept zich in de politiek van angst en terreur, zoals die gevoerd wordt door de Amerikaanse neo-cons en het islamisme. In een wereld waar het ideologisch discours over een betere wereld niet meer wordt geloofd, is een donker en angstaanjagend toekomstbeeld in de plaats gekomen. Politici trachten hun macht en autoriteit van weleer te herstellen door zich op te werpen als beschermers van het volk. ‘Shadows in the cave’ tracht te achterhalen hoe de mythe van het wereldwijde al Qaeda-netwerk tot stand kwam. Wat is het nut van zulke mythes, door wie werden ze uitgevonden en wie profiteert ervan? De documentaire somt de leugens en vertekeningen op van de regering Bush. Hieronder volgt een samenvatting.

‘Those with te darkest nightmares, became the most powerfull’.

De documentaire begint bij het ontstaan van al Qaeda. Alhoewel de grote massa dit leerde kennen met de aanslagen op 11 september 2001, dook de naam reeds vroeger op in Amerika. Een rechtzaak rond de aanslagen in Kenia en Nairobi in 1998, concludeerde dat dit het werk was van een wereldwijd netwerk ‘al Qaeda’ genaamd. Aan de top hiervan stond Osama Bin Laden. De documentaire beweert echter dat dit netwerk uitgevonden was om Bin Laden te kunnen veroordelen. Zodra er sprake is van een criminele organisatie, is het genoeg om lid hiervan te zijn om ook vervolgd te worden. En dus werd het al Qaeda netwerk verzonnen om Bin Laden (die niet aanwezig was op het proces) te veroordelen. In werkelijkheid zou Bin Laden niet meer zijn dan een fanatieke enkeling die slechts op weinig steun kon rekenen en die zeker geen zeggenschap had over islamitische milities. Wel was hij een vooraanstaande geldschieter die, omwille van zijn genereuze giften, aanspraak kon maken op leden van trainingskampen voor zijn eigen activiteiten. Er was dus niet zoiets als één netwerk onder het toeziend oog van Bin Laden. Niet in tijde van het proces, in januari 2001, en niet in september 2001. Een eerste grote leugen rond de war on terror, werd de wereld in gestuurd.

Wanneer de aanslagen op de Twin Towers hadden plaats genomen, had de regering een schuldige nodig. Die vond die al snel in het netwerk dat zij enkele maanden daarvoor zelf had uitgevonden. Bin Laden, als hoofd van het netwerk, werd verdachte nummer één. Door de oorlog tegen het terrorisme werden extremistische enkelingen als hem in het Midden-Oosten plotseling zeer zichtbaar en hier en daar ook zeer populair. Zawahiri die tijdens de jaren 80 en 90 in het Midden-Oosten een islamitische revolutie trachtte te ontketenen, maar hierin mislukte, genoot tevens van het onverwachte succes die de war on terror voor hem met zich mee bracht. De aanslagen bewezen wat Zawahiri reeds dacht: om de massa te mobiliseren moest hij zich niet op nabije regimes richten, maar op het verre Westen.

Al waren de aanslagen van 9/11 een daad van een zeer kleine groep fundamentalisten, het nieuws ging de wereld rond dat waarschuwde voor een enorm groot netwerk dat het Westen met haar burgers wou verwoesten. Niet dat de VSA geen reden hadden tot ongerustheid, maar het hele verhaal werd opgeklopt en aangedikt tot een spectaculair verhaal dat angst en paniek zaaide onder de bevolking die geloofde dat de wereld elk moment tot ontploffing kon worden gebracht.

Het getraumatiseerde en angstige volk eiste gerechtigheid en de neoconservatieve fractie van de regering zag haar kans om van Amerika terug een imperialistische macht te maken. Afghanistan, die op vraag van de VSA Bin Laden niet wou uitleveren, werd binnengevallen en de Taliban werd – om de zaken niet te complex te maken – gelijk gesteld aan al-Qaeda en van tafel geveegd. Vele leden van de Taliban werden gedood, anderen werden opgepakt. Allemaal omdat zij lid waren van een wereldwijd netwerk dat in feite niet eens bestond.

Eén van de eerste gebeurtenissen die erop wezen dat de regering de zaken erger had voorgesteld dan dat ze in werkelijkheid waren, waren de arrestaties van verschillende zogenoemde slapende cellen die achteraf onschuldige groeperingen of families bleken te zijn. Deze slapende cellen waren volgens de overheid vertakkingen van al Qaeda, die verspreid waren over 60 landen waaronder ook de VSA. Maar vele mensen waren onschuldig toen ze beticht werden van lidmaatschap hiervan. Zo werd de Detroit-cell geklist op basis van videobeelden die toonden hoe een groep moslimjongeren genoot van hun trip naar Disneyland. Wat overduidelijk een toeristisch filmpje is, werd geklasseerd als een film ter voorbereiding van een terroristische aanslag. Zo kwam er even een vuilnisbak in beeld, … toevallig droppen terroristen vaak hun bom in een vuilnisbak. Een ander fragment toont een camera die per ongeluk nog draait wanneer mensen op straat rondlopen. Je ziet niets meer dan een schaduw van een voetganger die op een trottoirs loopt, maar volgens de overheid toonde het een schaduw van een terrorist die filmt hoeveel passen twee strategische punten uit elkaar liggen. Kortom, een onschuldige groep jongeren uit Detroit werd vals beschuldigd van het beramen van een aanslag… . Het bewijs werd – volgens de overheid- ook geleverd door het onschuldig karakter van de film. De terroristen hadden de sfeer met opzet zo gecreëerd dat het lijkt alsof ze onschuldig het attractiepark bezochten en hierdoor werd ook dit bewijs. Uiteindelijk werd toegegeven dat zij onschuldig waren, maar dit haalde nooit het grote nieuws. Nog vele andere gelijkaardige voorbeelden zijn er te vinden. Of deze met opzet opgepakt zijn valt sterk te betwijfelen, eerder kan er vanuit gegaan worden dat, door de paniek en angst die er onder de bevolking - en dus ook het politiekorps- leefde, de politie en inlichtingendiensten overdreven reageerde op nietsbetekenende feiten.

Dit soort overdreven reacties en snelle veroordelingen zonder voldoende bewijzen is wat men in de documentaire omschrijft als het paradigma van preventie en is een gevolg van een politiek rond angst. Alles wat denkbaar is, wordt in het discours geworpen. Regeringen moeten op alles voorbereid zijn wat denkbaar is en bewijslast doet er niet meer toe. Wanneer iets denkbaar is, is het mogelijk en moet het voorkomen worden. Regeringen kunnen daarom beslissingen nemen zonder zich te moeten verantwoorden. Daarenboven gaan regeringen die een politiek van angst voeren uit van de drievoudige ontkenning die zegt dat het niet beschikken over bewijslast niet wil zeggen dat je geen actie moet nemen. Als dat de reden wordt, krijgt de regering volledig vrij spel! Voor een grootmacht als Amerika, die beschikt over een wijd verspreid netwerk van economische, politieke en militaire belangen is dat bijzonder gevaarlijk. Zeker als men weet dat verschillende regeringsleden van die grootmacht er imperialistische dromen op na houden.

Terwijl bovenstaande paragrafen betogen dat de Amerikaanse overheid (en andere overheden) zaken heeft overdreven en vertekend, zijn er ook flagrante leugens verspreid. Het voorbeeld bij uitstek is nog steeds Irak en de massavernietigingswapens waarover het zou beschikken. In de documentaire is meerdere keren te zien hoe officiële regeringsleden zoals Bush en Perle verschillende keren deze leugens letterlijk verspreiden en hoe zij woord voor woord beweren dat Saddam Hoessein banden had met al Qaeda en dat er hiervoor bewijzen voorhanden zijn. Ondertussen weten we allemaal dat daar niets van aan was.

Documentaires als deze, die wijzen op de leugens en onwaarheden die een regering verspreid, zijn in grote aantallen terug te vinden, en alhoewel ook deze informatie niet blindelings geloofd mag worden is het belangrijk dat ze voorhanden is. Het functioneert als een tegengewicht voor het discours van de Amerikaanse regering dat lange tijd blindelings overgenomen werd door de bevolking, de media en andere regeringen. Het herstelt het evenwicht in de visies die er over terrorisme bestaan. Het is dus belangrijk dat deze documentaires hun weg vinden naar het volk. Met deze documentaire was dat zeker het geval aangezien die op de BBC is getoond geweest.

Een ander belangrijke meerwaarde van deze documentaire is dat ze wijst op de macht die de Amerikaanse politiek in handen kreeg dankzij dit discours. Ze kreeg bijvoorbeeld toegang tot enorme budgetten om de strijd aan te gaan met een vijand die zij zelf hadden uitgevonden – in de documentaire een phantom enemy genoemd. Ze kreeg de mogelijkheid haar eigen organisatie te herorganiseren om de departementen beter af te stemmen op de strijd tegen het terrorisme (denk maar aan de herstructurering van USAID, dat nu ook een bevoegdheid is van het ministerie van Buitenlandse Zaken). Nog dankzij deze overdrijvingen en leugens is ze Afghanistan én Irak kunnen binnenvallen en heel even leek het alsof Iran ook op het lijstje stond. Recentelijk is ook uitgekomen dat de Amerikaanse regering over dat laatste land leugens verspreid heeft. Ook het hierboven vermelde paradigma van preventie en de drievoudige ontkenning geven een regering een grote macht, daar zij zich niet meer moet verantwoorden voor haar daden en beslissingen.

Kortom, de regering heeft dankzij haar politiek rond angst enorm veel macht gekregen. Voor een land als Amerika, dat reeds een grootmacht is en daarboven militair de machtigste is ter wereld, is het belangrijk dat deze zaken aan het licht komen. Documentaires als deze kunnen hiertoe bijdragen en hebben de mogelijkheid de kijker te wapenen tegen dit soort discours en de gevolgen die hieruit voortkomen.

Gudrun Mostmans

zondag 30 december 2007

The New American Militarism

The New American Militarism

- Stephanie Ceulemans

http://video.google.nl/videoplay?docid=1260516895818511114&q=Andrew+Bacevich&pr=goog-sl

Zijn Amerikanen verknocht aan oorlog? Het “Amerikaans imperialisme”, een term die vandaag erg actueel is, wordt gevoed door hun constante drang naar militaire suprematie. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn de Verenigde Staten continu in oorlog geweest. Waarom streven ze naar militaire macht? Is militair optreden voor de Amerikanen vanzelfsprekend geworden? President George W. Bush kreeg bijvoorbeeld de steun van de bevolking in een referendum, dat gehouden werd na de aanslagen van 11 september 2001( Johnson, 2006, p.13). Iedereen, die betrokken zou zijn geweest bij de aanslagen, mocht aangevallen worden door de Verenigde Staten waar ook ter wereld, zonder rekening te houden met internationale legitimiteit of met de soevereiniteit van landen. Is er sprake van Amerikaans militarisme? Ontelbare beeldfragmenten, artikels, etc. kan men terugvinden rond het thema “Verenigde Staten en militarisme.” Ik heb echter gekozen voor een lezing door professor Andrew J. Bacevich, die zijn boek “The New American militarism How Americans are seduced by war” voorstelt op 4 mei 2005 voor The World Affairs Council in San Francisco, California. The World Affairs Council (
www.itsyourworld.org) is een non-profitorganisatie omtrent internationale relaties, gesticht in 1947 naar aanleiding van het stichten van de Verenigde Naties in 1945. Andrew J. Bacevich is professor internationale relaties aan de universiteit van Boston.
Bacevich meent dat het “Nieuwe Amerikaans Militarisme” een obsessie is voor alle Amerikanen, zowel voor liberalen als voor republikeinen. Er zijn inderdaad factoren die steeds meer op een Amerikaans militarisme wijzen. Generaal Tommy Franks, gezagvoerder van de Amerikaanse inval in Bagdad stelde dat een volgende terreuraanval zou leiden tot een meer militaire regeringsvorm in de Verenigde Staten (Johnson, 2006, p.14).Volgens Bacevich lagen de gebeurtenissen van 11 september 2001 echter niet aan de basis van dit militarisme, in tegenstelling tot vele Amerikaanse critici. Het Amerikaans militarisme bestaat echter langer dan september 2001. Vanaf het einde van de 19de eeuw zijn de Verenigde Staten erg veel in oorlogen betrokken geweest. Doorheen het bestuur van de voorgangers van president Bush, is dit “militarisme”gegroeid. Bacevich is wel conservatief ingesteld en gelooft in de noodzaak van het leger. Een nieuwe vorm van militarisme manifesteert zich echter in de Verenigde Staten. Dit militarisme wordt allereerst gekenmerkt door de te hoge verwachtingen, wat betreft de efficiëntie van het leger. Ten tweede is er de militaire macht als meetinstrument voor internationale grootheid. Ten derde is er het geromantiseerd beeld van de soldaten. Wat betreft de te hoge verwachtingen die door de Amerikaanse bevolking worden gesteld, kan men terug in de geschiedenis gaan. De oorlog in Vietnam duurde langer dan verwacht en uiteindelijk verloren ze een lange en slopende strijd. Een kleine halve eeuw later, bevrijden de Amerikanen Irak van het wrede dictatoriaal bestuur van Saddam Hoessein. De prijs die men moest en nog steeds moet betalen voor Operation Iraqi Freedom is zeer hoog. Ten tweede, is militaire macht een pronkstuk voor internationale erkenning? Gelooft de Verenigde Staten dit zelf? Sinds het einde van de 20ste eeuw bleven ze toch hun wapenarsenaal uitbreiden. Dit is echter nutteloos omdat geen enkel ander land nog in staat is om het tegen hen op te nemen. Bovendien spenderen de Amerikanen meer aan defensie dan alle landen in de wereld samen. Dit is nog nooit eerder in de geschiedenis gebeurd. Daarnaast is er het geromantiseerd beeld van de Amerikaanse soldaten. Er zijn immers talrijke video’s, website’s, enz. op het internet te vinden die de Amerikaanse soldaat verheerlijken. Een artikel “The truth about Jessica” op de website van de Britse krant The Guardian (2003, 15 mei) brengt het verhaal van soldaat Jessica Lynch, die op heldhaftige wijze zou bevrijd zijn van de Irakezen door de Amerikaanse troepen in 2004. Jessica Lynch werd thuis als een heldin onthaald. De media ging zelfs zo ver dat NBC een TV-film over haar gemaakt heeft “Saving private Lynch.” Maanden later, ontdekten BBC-journalisten dat het verhaal niet helemaal bleek te kloppen. De argumenten van Bacevich houden steek. Toch zijn er twijfels omtrent een opkomend “militarisme” binnen de Verenigde Staten. Ten eerste blijkt het leger toch niet zo populair te zijn, wanneer men enkele statistieken bekijkt (Desch, 2006). Nog nooit is het aantal jongeren, die zich aanmelden bij het leger, zo laag geweest. Tijdens de Tweede Wereldoorlog streed ongeveer tien percent van de Amerikaanse bevolking mee in het leger. Tijdens de Koude Oorlog was dat 2 percent, nu is dat slechts 0.5 percent. Er moet steeds een onderscheid gemaakt worden tussen militarisme, wat de verheerlijking van oorlog betekent en “het militaire”, het in staat te zijn om ten oorlog te gaan. Houdt Bacevich hier voldoende rekening mee? Er bestaat misschien wel zoiets als Amerikaans militarisme, maar dan wel in een maatschappij waarin steeds minder en minder belang wordt gehecht aan het ten strijde trekken voor je vaderland. Tenslotte, zijn de Amerikanen zich wel bewust van een opkomend militarisme? Of willen ze het niet weten? Johnson (geciteerd in: Bellamy Foster en McChesney, 2004) stelt dat de meeste Amerikanen niet willen aanvaarden dat de Verenigde Staten de wereld in haar greep heeft. Zij hebben de militaire macht. Ze zijn er zich niet bewust van of willen niet weten dat Amerika imperialistisch is. Sinds de problemen in Irak, groeit de kritiek , komende van Amerikaanse burgers, elke dag. Ten tijde van de oorlog in Vietnam, hadden de Amerikanen er ook op een bepaald moment genoeg van. In hoeverre staat de Amerikaan eigenlijk achter dit militarisme?
Algemeen worden de standpunten van Bacevich omtrent militarisme positief onthaald. Ongetwijfeld is er een sterk Amerikaans militarisme aanwezig. Zowel critici, politici, als de gewone burgers kunnen dit niet langer ontkennen. In films wordt oorlog verheerlijkt. De Amerikaanse media speelt ook een uiterst grote rol. Zo worden er zelden foto’s of feiten vrijgegeven aan het publiek over het aantal burgers die gedood worden door Amerikaanse troepen (Johnson, 2006, p.30). Op de redactie van een dagblad uit Florida werden er in oktober 2001 instructies gegeven aan hun journalisten. Geen foto’s van burgersslachtoffers van de oorlog in Afghanistan mochten gebruikt worden op frontpagina. Verhalen over vermoorde burgers mochten slechts verder in de krant aan bod komen.
Volgens Bacevich lijkt de militaire suprematie een instrument geworden voor het verspreiden van “the American way of life”, voor het verspreiden van “democratie.” Bacevich quoteert socioloog C. Wright Mills, “The only accepted plan for peace is a loaded pistol.”

Referenties:
Bellamy Foster J. en McChesney R. W. (2004). The American Empire: Pax Americana or Pox Americana? Monthly Review, 56 (4)

Desch M. (2006). Civil-Militarism: The Civil origins of the New American Militarism Orbis, 50 (3), 573-583.

Johnson, C. (2006). Nemesis. The last days of the American Republic. New York: Metropolitan books.

The Guardian Unlimited (15 mei 2003) The truth about Jessica. Geraadpleegd op 27 december 2007 op
http://www.guardian.co.uk/Iraq/Story/0,2763,956255,00.html

The World Affairs Council. Geraadpleegd op 30 december 2007 op
www.itsyourworld.org


Noot: Indien er problemen zijn met het bekijken van de video via Google Videos, kan je een audioversie terugvinden op de website van de The World Affairs Council
http://wacsf.vportal.net/



vrijdag 28 december 2007

“Hey, terrorists, terrorize this!”

Misschien niet de meest voor de hand liggende keuze als het gaat om een kritische kijk op het huidige USA-beleid, maar wel een toonbeeld van spot met het hedendaagse Amerikaanse imperialisme: de film “Team America: World Police” van Trey Parker en Matt Stone, beiden beter gekend als de makers van “South Park”.

De film houdt het midden tussen een tekenfilm en een poppenkast en heeft veel weg van Thunderbirds, de Britse serie uit de jaren ’60, die het verhaal vertelt over de International-Rescue-organisatie. Het reddingsmiddel in deze film echter is - zoals de titel verraadt - Team America, een bende losgelaten nozems die menen de wereld te verbeteren en daarbij de Eiffeltoren, het Louvre, Gizeh en andere pareltjes verwoesten.

In de mate dat een “laten-we-lachen-met-alle-dwaze-Amerikaanse-clichés”-film een plot kan hebben, is dit waar het dus eigenlijk om gaat: de film vangt aan in Parijs (dat gesitueerd wordt op “3,635 miles east of America”). Een vrolijk jongetje dat uit volle borst Frère Jacques zingt, botst op tegen een groep verdacht uitziende mannen in lange tunieken, met een lange baard en borstel-wenkbrauwen boven dreigend rollende ogen. Lang leve prototypes. De Arabieren van dienst spreken helemaal geen Arabisch, maar uiten zich in een wartaaltje à la “bakalaka laka”. Wanneer ze later in de film nog eens aan bod komen, zijn de enige begrijpelijk woorden “Muhammad Jihad!”.

In een koffertje houden ze massavernietigingswapens (WMD’s) bij, die elk moment kunnen ontploffen. Op dat moment duikt, deus ex machina, Team America op. Resultaat van hun opvoering is de destructie van de Eiffeltoren én het Louvre, maar “de terroristen zijn uitgeschakeld”.

De terroristen blijken in opdracht van de Noord-Koreaanse staatsleider Kim Jong-il te werken, maar dit weet Team America niet, ondanks de krachten van hun (blijkbaar niet) alwetende computer I.N.T.E.L.L.I.G.E.N.C.E. (wat later in de film leidt tot quotes als “We have no intelligence!”). Wanneer Team America terugkeert in haar basis in Mount Rushmore, blijkt het netwerk toch niet opgerold en roept het team de hulp in van een acteur, Gary, die zich moet vermommen om te spioneren bij de terroristen in een bar in Caïro. De missie slaagt, want de terroristen worden uitgeschakeld, alsook de halve site van Gizeh. Omwille van deze destructie en inefficiëntie krijgt Team America weerstand: de Film Actors Guild (met Alec Baldwin, George Clooney, Sean Penn, Helen Hunt, en zoveel andere hedendaagse ik-zal-de-wereld-veranderen-acteurs) komt samen en beslist actie te ondernemen tegen Team America. Wanneer uiteindelijk ook de regio van het Panama-kanaal (“Panama, Central America, South of the real America”) onder een terroristische aanval te lijden krijgt en de Film Actors Guild de vinger wijst naar Team America, gaan de acteurs protesteren bij de basis in Mount Rushmore, wat leidt tot de destructie van de basis. Tegelijk worden alle leden van Team America, behalve Gary die intussen het team in de steek gelaten heeft, onder vuur genomen door Noord-Koreaanse vliegtuigen en door Kim Jong-il in hechtenis genomen, in afwachting van de grote vredesconferentie die deze laatste in samenspraak met de Film Actors Guild wil op poten stellen. Het plan is om tijdens de vredesconferentie simultaan MWD’s te laten ontploffen over de hele wereld. Gary komt echter op miraculeuze wijze Team America redden en ontmaskert net op tijd Kim Jong-il als bendeleider.

De film haalt er met andere woorden alle clichés van de doorsnee Amerikaanse actiefilm door: de opeenvolging van liefdesverklaringen op de foutste momenten, emotionele uitingen “in the heat of fire” en stupide one liners à la “Hey, terrorists, terrorize this!”. Maar het is meer dan een satire op breinloze en romantische actiefilms. Het hekelt onder andere de overdreven vereenvoudiging van grote wereldkwesties. De idee dat alle terroristen het gemunt hebben op de vrijheid van Amerika, is er één van. Het is één van de geliefkoosde argumenten in het discours omtrent de War On Terror: terrorisme is een bedreiging van de Amerikaanse manier van leven, de algehele Amerikaanse cultuur wordt aangevallen. Of zoals Lisa het verwoordt wanneer ze Gary overtuigt lid te worden van Team America: “Your freedom is at stake too". Dit zwakke argument moet het hedendaagse Amerikaanse imperialisme goedpraten en de War On Terror wordt op deze manier gerechtvaardigd: de USA móeten de wereld wel redden van de ondergang (want wie zal het anders doen?). Hoewel de Bush-administratie nooit direct genoemd wordt, is het duidelijk wat het mikpunt van spot is. De film draait rond de overmoedige aanname van de Amerikaanse regering dat de USA, als enige overblijvende grootmacht, geroepen is om ’s werelds leider te worden en dé bewaker van vrijheid. De poppenkast is een aanval op het Amerikaanse imperialisme en de xenofobie die de staat beheerst: de USA twijfelen er niet aan dat zij dé gerechtvaardigde grootmacht zijn, stellen zich de vraag niet of het terecht is zich op te werpen als verdediger van democratie en vrijheid en dat ook te doen in landen waar ze niets te zoeken hebben. Team America trekt daarom even blind ten strijde tegen de kwade machten als in realiteit de Amerikaanse regering dat doet. En ook al leggen ze prachtige cultuursites plat, het team lijkt hiervan helemaal niets te merken, zoals ze ook niet inzien dat eigenlijk niemand hen gevraagd heeft in te grijpen. Ondanks het feit dat in de film geen woord gerept wordt over Irak, is dit duidelijk een symbolische representatie van hoe Amerika Irak binnenviel: zogenaamd omdat het land WMD’s bezat, waardoor de USA dus geroepen waren om te wereld te redden van die boze Saddam-tirannie. Intussen weten allen wat een grove leugen dit was en hoe het als dekmantel gebruikt werd voor het imperialistisch beleid van de USA.

Het beleid van de Amerikaanse regering is echter niet de enige vorm van “imperialisme” die in deze film gehekeld word. De hedendaagse Hollywood-generatie krijgt er eveneens stevig van langs. Het is een fenomeen van de laatste jaren dat acteurs zich steeds vaker opwerpen als wereldverbeteraars (George Clooney en zijn film over Darfur, Angelina Jolie als Goodwill Ambassador aangesteld door het UNHCR, de open brief van Sean Penn in 2002 om Bush te vragen niet binnen te vallen in Irak). De academische wereld is niet de enige groep om daar kritiek op te leveren, deze film kan er ook aardig wat van. Geen wonder dat één van commentaren op de film als volgt luidde: “You’ll only be offended if you have so sense of humour or if you’re Sean Penn.”

Het belang van films als deze mag niet onderschat worden. Natuurlijk zal deze film niets concreet bewerkstelligen. De Bush-administratie zal niet plots de huidige koers wijzigen door een poppenkast van formaat. Maar het is belangrijk dat vanuit de Amerikaanse staat zelf kritiek geuit wordt op deze manier: humor die ook bij het publiek terecht komt.

Ann-Kathleen de Sagher

donderdag 27 december 2007

Conversations with History

Nele Eggermont
http://www.youtube.com/watch?v=FBpnCVmkOYE

Deze link brengt jullie bij een video interview van de University of California, Berkeley, dat kadert in de reeks, Conversations with History. Het betreft een interview met David Harvey, professor in de antropologie aan de universiteit van New York, over zijn boek, The New American Imperialism.
Het is een heldere weergave van enkele mechanismen van het (nieuwe) Amerikaanse imperium, o.a. oorlogsvoering. Het concept ‘empire’ is in dit interview een vaststaand gegeven. Juist daarom vind ik dit fragment interessant. Ondanks het feit dat de Britse antropoloog duidelijk zijn vragen heeft bij het huidige militaire optreden van de U.S., stelt hij de status als imperium niet in vraag. Harvey vermeldt in het interview dat de U.S. vroeger door zijn financiële mechanismen, productieve capaciteit en culturele overtuigingskracht autoriteit en gezag had. Nu is de enige manier om autoriteit en gezag te behouden een militaire dominantie. Blijkbaar oordeelt de schrijver dat de U.S. door haar (economische) evolutie het recht op wereldheerschappij verkregen heeft, maar dat die positie nu uitgehold is en wellicht ook niet zal blijven bestaan. Er worden vraagtekens geplaatst bij militaire interventie, maar niet bij interventie in het algemeen.
Het fragment sluit aan bij het artikel van Michael Lind, Beyond American Hegemony, besproken onder de wetenschappelijke artikels, waarin de onhoudbare situatie van de alleenheerschappijstrategie wordt uiteen gezet.

Hieronder volgt een korte samenvatting:

Voor de interviewer dieper ingaat op het boek en de standpunten van de auteur, wordt eerst gepolst naar de achtergrond van David Harvey. Zijn opvoeding en opleiding bepalen in grote mate zijn visie op de hedendaagse Amerikaanse politiek, waarbij hij gebruik maakt van geografie en Marxisme als analytische instrumenten.

Standpunten inzake het Amerikaanse imperialisme van Prof. Harvey:
Eén van de nieuwe zaken aan het New American Imperialism is de territoriale logica ontstaan door de accumulatie van kapitaal. De auteur stelt dat kapitaal landschappen kan creëren en kan afbreken. Dominantie inzake kapitaal is volgens Harvey gerelateerd aan het creëren van ruimte.
Sinds de jaren ’70 van de 20ste eeuw heeft de U.S. een financiële overheersing door het herinvesteren van kapitaal waardoor het steeds meer kapitaal verkreeg. Om winst te maken is er echter expansie nodig (cf. het belang van groei als indicator voor welvaart). Dit impliceert dat het kapitaal ook wegvloeit en dat er naar nieuwe bronnen van inkomsten gezocht moet worden. Hier introduceert Harvey de term: “primitive accumulation” of “accumulation by dispossession”. Hiermee bedoelt de auteur privatisering. Dit ziet hij als het ontnemen van Universele Rechten aangezien mensen nu moeten betalen voor zaken die hij als vanzelfsprekend ziet, bvb. recht op water, recht op onderwijs, recht op gezondheidszorg.
Door de focus op kapitaal bracht de U.S. zichzelf in een ongezonde financiële situatie: enerzijds heeft de U.S. zo een dominante positie aangezien andere landen voor kapitaal van hen afhankelijk worden, maar aan de andere kant wordt deze dominantie bedreigd door het al dan niet inlossen van de schulden. De U.S bezit ook geen alternatief aangezien het zijn productieve capaciteit naar vooral Zuid-Oost Azië heeft verplaatst.
De dominantie van de U.S. uit zich in bezetting. Daar waar vroeger defensief gehandeld werd (zoals in Vietnam), gaat men nu offensief optreden (Irak). Het militaire apparaat wordt als enig manier gezien om orde en gezag te handhaven, bijgevolg is er ook een toenemend belang voor het militaire aspect. Niet enkel in het buitenland, maar ook in de U.S. zelf waar men een toenemende militarisatie van het politieke leven kan vast stellen. Inzake technologische vernieuwing neemt de U.S. nog steeds een dominante positie in, maar deze innovaties blijven niet noodzakelijk in de U.S., het zijn voornamelijk de winsten ervan die in het binnenland blijven. De technologische innovatie op militair vlak wordt vooral besteed aan verdediging van het luchtruim. In de lucht zijn de Amerikanen oppermachtig, maar op de grond bereikt een massale troepenconcentratie niet het gewenste resultaat. Bovendien zijn deze troepen vaak afkomstig uit andere landen. Dit is volgens Harvey het grote probleem: het gebrek aan productief en industrieel kapitaal en de overgrote nadruk op financieel kapitaal. Enerzijds creëert de U.S. zo een dominante positie aangezien andere landen voor kapitaal van hen afhankelijk worden, maar aan de andere kant wordt deze dominantie bedreigd door het al dan niet inlossen van de schulden.
Overal duikt reactie op tegen de aanpak van de U.S. Een reactie die niet echt de voorkeur van de schrijver wegdraagt, is de nationalistische oppositie. De verbonden die hierdoor ontstaan beschouwt Harvey als sterke maar eerder repressieve reacties, die niet echt opbouwend zijn. Hij kent dan weer grote waarde toe aan lokale oppositie initiatieven, die echter nog in een experimentele fase zitten. Tot nu toe is daar weinig samenhang. Hij verwondert zich over het feit dat er veel ontevredenheid is, maar weinig politieke reactie. Dit wijdt de auteur aan verschillende zaken zoals fragmentering door te specifiek te focussen, de aanpak van de media, enz.
Over de rol van de regering van Blair verwijst Harvey naar de reeds langdurige samenwerking tussen beide naties. Hij stelt dat de Britten gezien de rancuneuze politieke persoonlijkheid van Bush geen problemen wilden en dat de U.S. te veel problemen kon veroorzaken in relatie tot de gevoelige situatie in Noord-Ierland. Het belang van Blair is vooral dat hij het nationalistische imperialisme van Bush meer universeel wilde maken, een soort ‘kosmopolisch imperialisme’.
Als afsluiter worden een algemeen advies naar studenten toe gegeven. De auteur gelooft immers niet dat de dominantie van de U.S. zal blijven duren. Hij stelt dat het belangrijk is om dat te accepteren en vervolgens meer op verschillende regio’s en wat daar gebeurt te focussen. Verder beschrijft Harvey U.S. interventie als soms zeer destructief en dat het dan ook niet onwenselijk is om na te denken over wat de U.S. dan wel wil creëren en wie dat gaat doen en hoe dat moet gebeuren.

woensdag 26 december 2007

The Fog of War


Egon Gussé
26/12/2007


In mijn vorige post heb ik het gehad over hoe de oorlogsbereidheid van een natie voor een conflict op basis van non-informatie kan zorgen. Nu wil ik nog een stapje verder gaan en via een beeldfragment tonen hoe de druk van de publieke opinie eveneens voor overhaaste beslissingen kan zorgen, althans volgens Robert S. McNamara. Daarnaast toont het fragment hoe de publieke opinie ervoor heeft gezorgd dat de overheid het volk makkelijk voor een oorlog kon "prepareren" ("we have to educate the people").


Deze post is gebaseerd op een fragment uit de bekroonde documentaire "The Fog of War". De film draait rond het leven van Robert S. McNamara, jarenlang een machtige speler in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hij heeft zo wat elke hoge functie in de politieke arena vervuld: tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht hij nog als officier, gedurende de Cubacrisis en de escalatie van de Vietnamoorlog was hij minister van Defensie en later werd hij hoofd van de Wereldbank. Tijdens het draaien van de film was hij 87 jaar, maar hij kijkt nog steeds even helder van geest op zijn manier gewetensvol terug op zijn veelbewogen politieke leven.

De documentaire "The Fog of War" heeft als ondertitel "The Eleven Lessons from the Life of Robert S. McNamara"en werd geregisseerd door de geronommeerde cineast Erol Morris. De film is opgebouwd uit een selectie van meer dan 20 uur aan interviews die Morris had met Robert McNamara, afgewisseld met historische beelden. "The Fog of War" won in 2004 de Oscar voor Beste Documentaire (http://www.filmfocus.nl/films/11441-The-Fog-of-War.html).

Ik wil me nog verontschuldigen voor het probleem met de klank, blijkbaar is er bij het inladen iets verkeerd gelopen. Wie de volledige documentaire wil zien kan die terugvinden op Google Video.





Dit fragment situeert zich na de moord op president Kennedy. Lyndon B. Johnson is net aan de macht gekomen en McNamara is op dat moment Minister van Defensie. De twee hadden voorheen al meningsverschillen gehad maar nu worden ze verplicht om samen een oplossing te zoeken voor het escalerend conflict in Vietnam. Eigenlijk weten ze niet goed wat er nu net aan de hand is in Vietnam en zouden ze liever niet ingrijpen ("You can have more war or more appeasement. But we don't want more of either."). Maar Johnson vindt tegelijkertijd dat het Vietnamese volk steun verdient. Zijn tweestrijd wordt nog versterkt door de kritiek die hij van alle kanten krijgt en de publieke opinie die hem de kop van jut maakt. Het Amerikaanse volk vindt hem een lafaard omdat hij niet lijkt in te grijpen en zijn politieke tegenstanders verwijten hem dat hij het conflict in Vietnam onder de mat probeert te schuiven. McNamara en Johnson beseffen dat Vietnam een al te heet hangijzer wordt en proberen iedereen te vriend te houden. De impasse is compleet totdat er iets onverwachts gebeurt: in de Golf van Tonkin wordt de destroyer Maddox door Noord-Vietnamese torpedo's aangevallen. Deze aanval leidt uiteindelijk tot de Amerikaanse interventie in Vietnam.


Wat we uit deze fragmenten moeten onthouden is de delicate evenwichtsoefening van Johnson wat zijn buitenlandse politiek betreft. Aan de ene kant loopt hij het gevaar als een lafaard afgeschilderd te worden (bv. na de eerste aanval op de Maddox), aan de andere kant kan een ondoordacht optreden hem het predicaat van oorlogsstoker opleveren. McNamara legt de verantwoordelijkheid van Johnsons optreden dus in de handen van de publieke opinie. Het spreekt uiteraard niet volledig in het voordeel van Johnson dat hij zich daardoor heeft laten leiden. Hij heeft misschien gedaan wat het volk hem vroeg, maar het getuigt van een zwakke ruggengraat om zomaar voor het volk door de knieën te gaan.

Ik ben echter van mening dat McNamara (deels) een loopje met de werkelijkheid neemt. Hoe aimabel en betrouwbaar hij zich in de documentaire ook voordoet, we kunnen er niet om heen dat hij ooit één van de machtigste mensen ter wereld was. Wanneer hij in de film over de Cuba-crisis praat, wordt duidelijk dat hij een hardliner was. Zo wil hij ons nog altijd doen geloven dat Fidel Castro bereid was nucleaire wapens in te zetten en dat het niet veel had gescheeld of de hel was losgebarsten. Recent historisch onderzoek heeft deze beweringen al meermaals weerlegd (cfr. E. Hobsbawm, Een eeuw van uitersten, 1995). De Cuba-crisis was inderdaad een harde confrontatie, maar beide partijen wisten heel goed dat het enkel om blufpoker ging. Niemand was van plan om de nucleaire wapens daadwerkelijk in te zetten. Deze confrontatie was voor de V.S. natuurlijk wel handig om te gebruiken in hun anti-communistische discours: het was alweer een bewijs van de Russische/Cubaanse waanzin en de rede van de V.S.

Volgens mij doet McNamara in dit fragment iets soortgelijks. Hij laat uitschijnen dat Johnson niet anders kon dan ingrijpen omdat het de wil van het volk was. Persoonlijk had hij liever niet ingegrepen en de delicate machtsbalans gelaten voor wat ze was. Wanneer de druk uiteindelijk toeneemt beslist hij om er aan toe te geven en om via een uitgekiend discours er een gerechtvaardigde oorlog van te maken ("a war for the hearts and the minds of the South Vietnamese people"). We kunnen ons afvragen of McNamara wel het volledige verhaal vertelt. Hij zegt ons bijvoorbeeld niet hoe het komt dat het Amerikaanse volk sancties tegen Vietnam eiste, hij vertelt ook niet welke hetze tegen het oprukkende communisme (het Domino-effect) aan de gang was en wie daar verantwoordelijk voor was. Uiteraard kan ik dit alles hier niet hard maken maar volgens mij kan de rol van de clan rond Kennedy en Johnson moeilijk onderschat worden. McNamara wijst er enkel fijntjes op dat het zijn politieke tegenstanders waren die het volk ophitsten en de president tot zijn toch wel noodlottige beslissing dwongen. Slim natuurlijk, hij schuift de waanzin van de Vietnam-oorlog zo in de schoenen van zijn toenmalige tegenstanders en hij gaat zelfs zo ver dat hij ook het volk een deel van de schuld geeft.

Hetzelfde doet hij met de gebeurtenissen in de Golf van Tonkin. Volgens hem geloofde Johnson oprecht dat de Maddox twee keer was aangevallen. De conversaties lijken hem zelfs gelijk te geven; de Maddox bevestigt immers (op een nogal knullige manier) de aanval van vier augustus ("no doubt about that, I think"). Johnson wordt dus bijna als een slachtoffer van desinformatie gezien. Meer zelfs: de Tonkin Gulf Resolution wordt zo bijna als een ongelukje beschouwd. Stel u voor: Johnson krijgt zomaar de autoriteit om de V.S. in een oorlog met Vietnam te betrekken, en dat alles zonder dat het eigenlijk zijn bedoeling was. Behoorlijk vreemd toch? Volgens mij is dit ongeveer dezelfde situatie als in 2003 (cfr. Curveball). Het is opnieuw de oorlogsbereidheid van een natie waarvan de bevolking met propaganda is bestookt, die het de leiders mogelijk maakt om zich op basis van hele of halve leugens in een conflict te mengen. Daardoor kreeg Johnson de mogelijkheid zichzelf als een sterke leider voor te doen en tegelijk gewoon zijn eigen wil door te drijven. Trouwens, de aanval op de Maddox was misschien niet zo lukraak als McNamara hem voordoet. Het was niet zo dat het schip gewoon voor de kust van Vietnam lag. Integendeel, het voerde een agressieve spionagecampagne uit in samenwerking met de marine van Laos en Zuid-Vietnam (http://www.fair.org/index.php?page=2261). Dat de Noord-Vietnamezen zich in die context verdedigden, kan dus bezwaarlijk als een laffe daad worden gezien.

Op een bepaald moment zegt McNamara "we see what we want to believe" en daar heeft hij absoluut gelijk in. Wat hij er niet bij vertelt is dat hij in die tijd mee bepaalde wat er werd gezien. Zelfs in een ontluisterende en integere documentaire als deze is een poging tot manipulatie dus niet ver weg.

dinsdag 25 december 2007

Het discours rond 'American Empire'


Het discours rond ‘American Empire’

Storme Thijs

In deze post bespreek ik kort en bondig het discours rond ‘American Empire’, (daarbij gebruik makend van een artikel van Amy Kaplan van 2004. Het onderwerp besproken in het artikel is tot op de dag van vandaag brandend actueel.)

Kaplan, A. (2004). Violent Belongings and the Question of Empire Today. Presidential Address to the American Studies Association, October 17, 2003 [elektronische versie]. American Quarterly, 56 (1), 1-18.

Micheal Parenti legt in zijn lezing (zie inleiding) sterk de nadruk op het feit dat de totstandkoming van de imperialistische politiek van de Amerikaanse hegemonie geen natuurlijk proces en noch een onontkoombare dynamiek is, een premisse die velen in het huidige debat nochtans aannemen en verdedigen. Imperiumvorming gebeurt volgens hem altijd mede door actieve beleidsbeslissingen en altijd met een doel voor ogen. (Power is never for power’s sake.) Hij haalt daarbij terecht aan dat in de discussie rond imperium in de VS, het woord ‘imperialism’ zelden tot nooit gebruikt wordt (Imperialism is what empires do!). Imperialisme is wezenlijk voor het uitbouwen van een imperium, en is altijd verbonden met de politieke en economische voordelen die het imperium in kwestie kan veroveren.
Mijns inziens slaat hij de nagel op de kop. Niettemin wordt daarbij geen aandacht besteed aan de manier waarop het discours rond ‘empire’ dan een bijna volledige publieke opinie achter zich kan krijgen. (De inval in Irak kan moeilijk aan het publiek verkocht worden door te stellen dat er veel oliegeld te rapen valt en dat het voordelen kan bieden voor een politieke voet tussen de deur in het Midden-Oosten).
Het is mijn mening dat, naast de alomtegenwoordige War On Terror, ook de houdingen tegenover de gedachte van een Amerikaans Imperium ervoor kunnen zorgen dat de Amerikaanse burgers zich voor een imperialistische politiek gewonnen kunnen voelen. Begrippen die daarbij heel belangrijk zijn, zijn ‘American Exceptionalism’ en ‘Manifest Destiny’.
Een diepere uitwerking van beide begrippen, die geworteld zijn in de Amerikaanse geschiedenis, zou hier teveel plaats in beslag nemen. Ik hou het dan ook bij een korte, en wellicht beperkte, definiëring.
‘American exceptionalism [is] the idea that America occupies an exceptional place in history, based on her republican government and economic opportunity’. (Goldman, L. (1998). Exceptionalism and internationalism. The origins of social science reconsidered. Journal of historical Sociology, 11 (1), 3.) Het geloof dus dat Amerika een buitengewone, zelfs superieure plaats boven de andere ontwikkelde landen inneemt. Een citaat dat daar telkens bij terugkomt, is dat van John Winthrop, die in zijn preek in 1630 de Engelse puriteinse kolonisten tijdens de overtocht op het belang van hun missie wijst:
For we must consider that we shall be as a city upon a hill. The eyes of all people are upon us. So that if we shall deal falsely with our God in this work we have undertaken...we shall be made a story and a by-word throughout the world. We shall open the mouths of enemies to speak evil of the ways of God...We shall shame the faces of many of God's worthy servants, and cause their prayers to be turned into curses upon us til we be consumed out of the good land whither we are going.
‘Manifest destiny’ is het negentiende-eeuwse geloof dat de VS een heilige missie had om zijn gebied uit te breiden, en zo democratie en vrijheid te verspreiden. Een missie die niet alleen voor zich spreekt, duidelijk is (manifest), maar ook onoverkomelijk (destiny).
In het schilderij van John Gast (ca 1872) (zie bovenaan links) brengt de godin Columbia (een personificatie van de VS) met een schoolboek onder de hand, samen met de pioniers, voorspoed en ontwikkeling, en jaagt de barbarij op de vlucht (i.e. de indianen links).

Het is mijn mening dat beide concepten terug te vinden zijn aan de belangrijkste kanten van het hedendaagse debat in de VS rond een Amerikaans imperium. Kaplan (2004, pp.1-2) stelt dat een decennium geleden de notie van een Amerikaans imperium werd afgedaan als een polemiek in linkse kringen, een contradictio in terminis. Vandaag, over het hele politieke spectrum, omhelzen beleidsmakers, journalisten en academici het concept ‘empire’.
Er zijn twee gangbare denkwijzen omtrent ‘American empire’: de neoconservatieve en de liberale interventionistische. De neoconservatieve denkwijze houdt in dat de VS eindelijk zijn ware rol heeft opgenomen: het heeft opgehouden een hypocriete houding tegenover zijn macht en verantwoordelijkheid aan te nemen, en is uiteindelijk uit de kast gekomen om zijn plicht te vervullen: het handhaven van recht en vrijheid in de gehele wereld. ‘Manifest destiny’ op een globale schaal dus. Volgens Kaplan (2007, p. 3) herbergt dit ‘hypermasculine’ discours zowel een gevoel van superieure macht en verantwoordelijkheid, als een gevoel van kwetsbaarheid en de nood om te verdedigen (cf. de ‘war on terror’): een gevaarlijke combinatie. Een ander dominant narratief is de liberaal interventionistische, of het discours van de ‘aarzelende imperialist’. In deze versie is de VS bij toeval een supermacht geworden, en of het wil of niet, het is de enige staat die zowel over de capaciteit als over de morele autoriteit beschikt om orde in de wereld te brengen. M.a.w. de verantwoordelijkheid van de VS is eerder een last dan een lot, maar het is een verantwoordelijkheid die onontkoombaar is. In dit discours mengen eigenbelang en goede bedoelingen zich.
Het is mijn mening dat in beide narratieven ‘manifest destiny’ en ‘American exceptionalism’ naar nieuwe hoogtes worden gebracht, en, hoewel in vermomming, nog altijd allerminst van het toneel verdwenen zijn. Ook Kaplan (2004, pp. 3-4) komt tot een dergelijke conclusie. Ze stelt dat beide discours heel wat gemeen hebben. Bijvoorbeeld hun paradoxale aanspraak op zowel uniciteit (wij zijn uniek onder alle andere naties) als universaliteit (we dragen universele waarden uit). Het zijn beiden teleologische narratieven met de VS als apotheosis van de geschiedenis, de belichaming van universele waarden, liberalisme, democratie en vrijheid. Hoewel de VS ten allen tijde hun eigen soevereiniteit angstvallig bewaken, claimen ze het recht (op basis van wat hiervoor besproken is) om inbreuk te doen aan de soevereiniteit van andere staten. Dit laat de weg open voor gerechtvaardigde interventies over de gehele wereld, en bovendien worden tegenstanders al op voorhand de wind uit de zeilen genomen: According to this logic, resistance to empire can never be opposition to the imposition of foreign rule; rather, resistance means irrational opposition to modernity and universal human values. (Kaplan 2004, p. 4)
Lijnrecht tegen Parenti’s (en naast hem vele anderen) visie in, is het gangbare discours rond imperium en imperialistische politiek in de VS er één van onontkoombaarheid, onoverkomelijkheid en zelfs ongewildheid. Niettemin zorg(d?)en deze aantrekkelijke discours –die in zich de historisch gegroeide concepten van ‘manifest destiny’ en ‘American Exceptionalism’ dragen–, voor het overtuigen van een groot deel van de publieke opinie.