Posts tonen met het label empire. Alle posts tonen
Posts tonen met het label empire. Alle posts tonen

maandag 31 december 2007

Het postnationale Empire van Hardt & Negri: een bespreking.

In deze tekst wens ik een blik te werpen op het concept ‘Empire’ (Hardt & Negri) dat sinds de publicatie van het gelijknamige werk in 2000 een voorname positie innam in het denken rond globalisering en imperialisme. Een publicatie van Michael Hardt in Nations vormt de basis voor mijn bespreking. Ik zal mijn aandacht vooral toespitsen op de relevantie van het concept voor de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten. Centraal staan volgende vragen: Binnen welk globaal kader vindt het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten plaats? Wordt het gedicteerd door nationale economische en politieke belangen? In welke mate kan hier van klassiek imperialisme worden gesproken?

Politiek filosofen Hardt en Negri ontwaren in de actuele wereld een opkomend ‘Empire’, dat ze pejoratief beoordelen. Hardt beschrijft het Empire als een ‘nieuw monster’, een gedecentraliseerd en gedeterritorialiseerd netwerk van collaborerende machten, inclusief de dominante natiestaten, supranationale instituties (het IMF, de Wereldbank…), multinationals, bepaalde niet-gouvernementele organisaties etc. (Hardt, 2006). Het incorporeert in toenemende mate de hele globale ruimte in haar open, uitbreidende grenzen. Het is een politieke vorm die afgestemd is op de belangen van het globale kapitaal (eerder dan die van de individuele natiestaat). De globale markt is allesoverheersend, en politieke controle dient enkel tot economische controle en het verwerven van bronnen en surplus. Hardt en Negri claimen dat deze macht globale hiërarchieën in stand zal houden: de rijke blijft rijk en de arme arm, en de macht berust in de handen van enkelen. De basis van het opkomende Empire wordt gelegd bij de nucleaire technologie (die ervoor zorgde dat de meeste landen beslissingsmacht verloren inzake oorlog en vrede), de wereldmarkt en de ontwikkeling van de communicatiekanalen. Met deze elementen regeert en controleert het Empire het globale systeem (Hardt & Negri, 2000, pp.314-317). Hardt en Negri beschrijven de consensus die vandaag rond het Empire is ontstaan. Mijns inziens valt in deze verwijzing naar gouvernmentality een foucaultiaanse inbreng terug te vinden in hun werk. De consensus betreft volgens de auteurs één omtrent universele waarden: mensenrechten, democratie en vrede. Illustratief hiervoor is de ontwikkeling van het ‘right to intervene’ (p.33). Critici als Schirato en Webb argumenteren dat deze consensus niet is gebaseerd op universele waarden maar op economische waarden en idealen als vrije markt, deregulering etc. (Schirato & Webb, 2003 , p.108).

De interne dynamiek van het Empire wordt omschreven als een samenwerking tussen een monarch en een groep aristocraten. Vandaag is de monarch veelal de VS-regering, in andere gevallen het IMF of een andere macht. Twee implicaties leidt Hardt (2006) hier zelf uit af: (1) Er is sprake van een machtshiërarchie en (2) de monarch kan niet unilateraal handelen maar is afhankelijk van aristocraten. Geen enkele macht, inclusief de VS, kan succesvol zijn wanneer ze de interne dynamiek van Empire negeert. Samenwerken is een vereiste, niet alleen met andere dominante natiestaten maar ook met ondergeschikte natiestaten (ook zij maken deel uit van het systeem) en de andere actoren. Volgens Hardt verklaart dit het toenemende belang van regionale allianties en het succes van de ‘Groep van 22’ onder leiding van Brazilië die in 2003 de WTO-ontmoetingen in Cancún blokkeerde. De monarch hangt continu af van haar aristocraten, onder meer om haar oorlogen te financieren en schulden te vereffenen. Met het oog op de oorlogsuitgaven en financiële balans van de Verenigde Staten lijkt dit mij een erg actueel gegeven.

Als dominante natiestaat maken de VS deel uit van het Empire, al voeren ze niet altijd het hoogste woord. Hardt en Negri linken het opkomen van dit nieuwe wereldsysteem aan het einde van het imperialisme, door hen gezien als ‘the imposition of the national sovereignty of a dominant country over foreign territory through colonial administration, military occupation and economic coercion’ (Hardt, 2006). Na Elf September werden de oorlogen, preventieve acties, militaire bezettingen en projecten om de politieke kaart van het Midden-Oosten te bepalen algemeen als imperialistische acties beschouwd. Tevens werden ze door haar neoconservatieve auteurs en het Witte Huis als dusdanig benoemd, evenwel met een positieve connotatie. Men percipieerde de wereld door de lens van het oude imperialisme, gebruik makend van traditionele wapens en objectieven. Hardt beschouwt de oorlog in Irak als de laatste klassieke imperialistische oorlog. Deze politiek voldoet echter niet langer aan de vereisten van het opkomende Empire. Het debacle van Irak wordt aangevuld met praktijkvoorbeelden: De Verenigde Staten kunnen niet langer hun economische politiek opleggen aan hun ‘achtertuin’, Latijns Amerika, en werden door de orkaan Katrina geconfronteerd met hun limieten binnen de eigen grenzen (ten gevolge van de defensie-uitgaven). Hardt besluit dat de VS niet sterk genoeg is om een imperialistische macht te zijn, maar vooral dat het imperialisme en haar methoden aan effectiviteit verliezen en een andere vorm van globale dominantie haar plaats inneemt. De Bush-administratie werd zich bewust van deze realiteit, zo stelt Hardt, getuige haar samenwerking met Europa, Rusland en China na haar eerdere unilaterale beleid inzake Iran.

Wat is de positie van de natiestaat echter binnen dit Empire? Hardt en Negri sluiten het belang van het realistische interstatelijke systeem niet uit, gezien staten elementen zijn die binnen het Empire functioneren. Toch zien ze staat en politiek als ondergeschikt aan de globale organisatie van de kapitalistische markt, die een universele macht bezit. Bovendien stellen Hardt en Negri dat ‘the distinct national colours of the imperialist map of the world have merged and blended in the imperial global rainbow’ (Hardt & Negri, 2000, pp.xii-xiii). De ‘decline’ van de natiestaat en het vervagen van grenzen die ze letterlijk vermelden lijken mij een onderwaardering van het belang van de natiestaat in de huidige internationale politiek. Naar mijn mening worden internationale fenomenen nog steeds in lokale termen geïnterpreteerd en is de associatie tussen territorium en identiteit minstens even sterk als tevoren, zoals we ook in Vlaanderen mochten ervaren. Hardt en Negri overdrijven deze achteruitgang van de natiestaat. Vooralsnog bestaan het IMF en de Wereldbank nog steeds uit nationale overheden met particuliere belangen. Mij lijkt het eerder zo dat via globalisering en Empire een systeem zich constitueert dat staten een relevante positie biedt naast andere actoren. Hardt en Negri beschrijven staten als ondergeschikt aan de globale kapitalistische logica; volgens mij dienen globalisering en Empire niet zozeer als uitdagers van de staat te worden beschouwd, maar eerder als fenomenen die worden gedreven door de belangen van (onder meer) natiestaten. Staten schrijven zich uit eigenbelang als het ware in dit systeem in. In tegenstelling tot het model van Hardt en Negri laat dergelijke benadering ook ruimte voor een ‘counter-empire’ buiten het kapitalistische systeem om.

De toenemende decentralisering en de aangroei van het aantal relevante actoren op globale schaal nemen dus niet weg dat de politiek één van de minst geglobaliseerde arena’s is. Ik maak graag een uitweiding naar het 3D-chess game van Joseph Nye (2002, p.39), die drie niveaus van internationale politiek en hun respectievelijke protagonisten onderscheidt. Net als bij Hardt en Negri staat samenwerking centraal in zijn analyse, waarin hij echter de dwingende macht van het kapitalisme en het discours achterwege laat. Op het veiligheidsniveau is een centrale rol weggelegd voor staten en internationale organisaties (EU, VN, IMF, Wereldbank), op het economische niveau ontwaart hij een interdependentie tussen staten, internationale organisaties en niet-territoriale actoren, en op het transnationale niveau ontwaart hij staten, internationale organisaties, transnationale actoren en ‘normen’ als protagonisten. Op alle niveaus blijven staten een bepalende rol spelen. Ze blijven de basiseenheid van de internationale politiek.

Te raadplegen op:

Hardt, Michael (31 July 2006). From Imperialism to Empire. Geraadpleegd op 27 december, 2007 op http://www.thenation.com/doc/20060731/hardt

Referenties:

Hardt, M., Negri, A. (2000). Empire. Cambridge: Harvard University Press.

Nye, Joseph, (2002). The Paradox of American Power. New York: Oxford University Press.

Schirato, Tony, Webb, Jen (2003). Understanding Globalisation. London: SAGE publications.


Simon Pierens

Get Washington out of our classrooms!

http://nl.youtube.com/watch?v=tXAxROb626o


Het beeldfragment dat ik bespreek betreft een filmpje van 2 minuten voor de verkiezingscampagne van de republikein Ron Paul naar aanleiding van de presidentiële verkiezingen in 2008. Op het deuntje van Tom Paxton’s ‘What did you learn in school today?’ wordt niet alleen kritiek geleverd op het educatieve niveau in Amerika, maar vooral op wat Parenti omschrijft als ‘ideologische repressie’ (Parenti, p. 228) en wat door anderen bestempeld wordt als ‘imperial psychology’ (Beaudoin, 2005). Met dit fragment als beginpunt willen we erop wijzen dat Amerika zijn macht niet alleen uitbreidt naar het buitenland toe, maar dat ze dat ook doet in eigen land.

Kritisch denken is uit den boze.

In het hoofdstuk ‘Het Vierde Rijk in de academische Wereld’, beschrijft Parenti hoe de Amerikaanse overheid zijn greep op de academische wereld al sinds de 19de eeuw systematisch versterkte. De universiteiten en de hogescholen zijn niet de onafhankelijke kritische denktanks zoals ze laten uitschijnen. Het zijn weerspiegelingen van de persoonlijke overtuigingen van de aan de macht zijnde president. Zo is één van de presidentskandidaten, Mike Huckabee, voorstander om het creationisme als alternatief voor het darwinisme, te onderwijzen op de scholen. De kans is reëel dat, indien Huckabee verkozen wordt, het creationisme een vaste stek verwerft in het leerpakket. Washington kan dus in belangrijke mate zijn ideologie verspreiden en doordrukken via de scholen. Dit bracht Parenti ertoe te stellen dat: ‘Zij [de universiteiten] zijn dan ook veeleer ideologische bedrijven dan schatkamers van intellect, plaatsen waar kritiek op het imperialisme erg schaars is en waar studenten hun toekomst verpanden aan de kapitalistische sociale orde. (p. 229)’. Dit is ook wat het filmfragment, zowel in haar beelden als in haar teksten, aanklaagt. Op de centrale vraag ‘What did you learn at school today?’, wordt geantwoord met I’ve learned that our gouvernemts are always right and never wrong’ en ‘I’ve learned that Washington never told a lie’. Ook het beeldmateriaal dat het liedje begeleidt, draagt die boodschap uit. Zo zien we afwisselend posters die volgende slogans dragen: ‘Hey, you, stop asking questions or we will detain you permanently’, ‘I promise to never question authority, I promise to never bring up my rights’ of ook nog ‘You! Stop asking questions! You’re eihter with us or you’re with the terrorist’. Het aannemen van een kritiekloze houding tegenover de overheid wordt dus sterk gestimuleerd. Er wordt van Amerikanen verwacht onvoorwaardelijk vertrouwen te hebben in hun overheid zoniet wordt hen de deur gewezen. Een bijzonder scherp voorbeeld hiervan is het persoonlijke voorval van Parenti die in ’72 niet langer mocht doceren aan de Universiteit van Vermont omdat zijn antioorlogsactiviteiten als onprofessioneel werden gezien (p. 237). Via deze repressie dwingt de overheid loyaliteit af van het academische corps en kan ze van kinds af aan de Amerikaanse waarden bij de jongeren inplanten.

Militaire interventie en imperialisme.

Het stimuleren van een kritiekloze houding ten opzichte van zijn overheid is slechts één zaak die het filmpje aanklaagt. De scholen worden er ook van beschuldigd het militarisme en het imperialisme bij de kinderen te voeden. We halen de belangrijkste verzen aan:

I’ve learned that soldiers seldom die’,

I’ve learned that justice never ends,

I’ve learned that murders die for their crime (even if we make a mistake sometimes)

I’ve learned that wars are not so bad,

I’ve learned of the great ones we have had,

We fought in Germany and in France,

And some day I might get my chance

Door te stellen dat ‘justice never ends’, wijst Amerika erop dat er steeds een vijand zal zijn die moet bevochten worden. Die vijand, zo wordt onderwezen, mag en zal nooit zijn straf ontlopen. Om die misdadigers te straffen kunnen oorlogen nodig zijn maar deze hoeven niet in se als negatief gezien te worden. Om dit te onderstrepen wordt verwezen naar de goede resultaten die Amerika behaalde in WO I en WO II, een prestatie waar veel Amerikanen ook nu nog graag naar verwijzen. Dat oorlog iets goeds is waarin zelden soldaten sterven, wordt volgens Beaudoin onderbouwd door de pers. Hij verwijst daarbij naar de recente gebeurtenissen in Irak en de weinige berichtgeving over de vele gewonde en dode Irakese burgers. Volgens Beaudoin creëert de pers zo een ‘falsely consoled distance from the war’. Door het lijdende gezicht van de tegenstander te ontwijken, worden de Amerikanen niet nauw betrokken bij het directe leed dat ze anderen aandoen zodat het voor hen makkelijker wordt om de oorlog te steunen en dat is nu juist wat de Amerikaanse overheid wil bereiken. This imperial psychology, a stat of soul, prevents many of us from accepting personal responsibility for the suffering caused by this war, and thus from experiencing the outrage that would lead to greater and more varied demonstrations against the war […]’ (p. 16).

Americans above all.

Een ander gegeven dat Amerikaanse kinderen meekrijgen in de klas, is een sterk patrionalistische houding. Veel Amerikanen zijn doordrongen van een grote vaderlandsliefde. Er schuilt niets fout in het feit dat een burger trots is op zijn nationaliteit. Het wordt echter wel problematisch als die liefde gezien wordt als een onvoorwaardelijk kenmerk van je identiteit: ‘The United States of America. Love it or leave it’ of ook nog ‘You’re either with us or you’re with the terrorist’. Amerikanen groeien op met een ‘they versus us’-mentaliteit; ofwel hou je van Amerika, ofwel haat je het. Een middenweg bestaat niet. Door je bevolking dergelijke boodschap mee te geven, wordt het gemakkelijker ze te overtuigen van de slechte bedoeling van anderen. In dergelijke zwart-witte wereldvisie die de Amerikanen wordt voorgespiegeld, is het niet moeilijk Irak in het zwarte kamp in te delen.

Door indoctrinatie van zijn bevolking met waarden als patriottisme, militarisme, kritiekloze houding tegenover de overheid en onvoorwaardelijk vertrouwen in diezelfde overheid, slaagt Amerika erin zijn imperialistische politiek verder te zetten. Wil ze een imperium zijn, is Amerika bijna verplicht zijn bevolking ‘gedwee en dom’ te houden. Een wereldvreemde bevolking is makkelijker onder de duim te houden en is gehoorzamer dan een kritische bevolking. Dit artikel wil zeker niet stellen dat alle Amerikanen gedwee hun overheid volgen, we willen gewoon aantonen dat Amerika dit met behulp van een imperialistische psychologie, tot op grote mate nastreeft. Het komt er nu op aan de Amerikanen daarvan bewust te maken want, om opnieuw met Parenti af te sluiten: ‘Hoe meer we weten waar we tegenover staan, hoe beter we het kunnen bestrijden’.

Referenties:

- Beaudoin T. (2005), The Iraq War and Imperial Psychology, America, vol. 192 (2), 14-16

- Parenti M. (2003), Het vierde rijk of de brutale realiteit van de VS-wereldheerschappij, Antwerpen, EPO vzw



Sylvie Janssens


So much for the New Rome

So much for the New Rome.

-Stephanie Ceulemans

Is het Amerikaanse rijk in verval? In The Guardian, een Britse krant, publiceerde socioloog Anthony Giddens een artikel, waarin hij het einde van het Amerikaanse rijk voorspelt. Tegenover dit krantenartikel plaats ik een artikel, geschreven door Michael Cox, professor internationale relaties aan “London School of Economics and Political Science.”
Algemeen stelt Giddens dat het Amerikaanse imperium niet lang meer zal bestaan. Giddens is niet de eerste om dit te stellen. Het verval van de Verenigde Staten is de laatste jaren een zeer populair thema geworden. Bij het begin van de 21ste eeuw schreeuwde iedereen nog “de grootheid van de Verenigde Staten” van de daken(Cox, 2007, p.6). De oorlog in Irak heeft ondermeer gezorgd voor een complete verandering in denken. Nu lijkt iedereen overtuigd van het nakende einde van het Amerikaanse rijk. Michael Mann (geciteerd in: Cox, 2007, p.6) stelt de Verenigde Staten voor als het eerste rijk in de geschiedenis, dat zal falen. Paul Krugman (geciteerd in: Cox, 2007, p.6) klaagt de huidige politiek van de Amerikaanse regering aan. Een onverantwoordelijk gevaarlijk buitenlands beleid en een economisch beleid, dat enkel de rijken ten goede komt, wordt goedgepraat door conservatisme, traditionele waarden en geloof. De fundamenten van de republiek zijn aangetast. Volgens Chalmers Johnson (geciteerd in: Cox, 2007, p.7) is de Verenigde Staten zo goed als dood. Anthony Giddens staat dus niet alleen wanneer hij de wereld wil waarschuwen voor het einde van het Amerikaanse tijdperk. Eén van de wortels van dit doemdenken over Amerika is de theorie dat een rijk eerst glorieert en dan verdwijnt. Zo is het ook gebeurd met Rome, de Britten en de Spanjaarden. Dit zou volgens Gibbon (geciteerd in: Cox, 2007, p.5), een 18de eeuwse historicus, een ongeschreven wet zijn voor een rijk.
Enkele jaren geleden, werd er nog voluit gedebatteerd over het wel of niet bestaan van een “Amerikaans imperialisme.” Het tij kan snel keren. Zowel op militair vlak als op het cultureel vlak, is de Verenigde Staten sterk achteruitgegaan. Militair gezien, worden de grenzen van de Amerikaanse militaire macht stilaan zichtbaar. De oorlog in Irak en Afghanistan zijn hiervan een voorbeeld. Amerika heeft daar laten zien dat ze niet in staat zijn politieke en sociale stabiliteit te creëren. Kan de militaire macht van de Verenigde Staten werkelijk in vraag gesteld worden? Hoewel er inderdaad problemen rijzen omtrent de situaties in Afghanistan en Irak, op militair vlak blijft de Verenigde Staten ongetwijfeld de sterkste. Militair zijn ze over de hele wereld vertegenwoordigd. Met hun wapenarsenaal valt niet te concurreren. Geen enkel land spendeert meer aan defensie dan de Verenigde Staten.
Economisch gaat het de Amerikanen met een vrije markteconomie nog steeds voor de wind. Hier ook beginnen de eerste problemen op de voorgrond te komen. De Verenigde Staten worden immers op economisch gebied bedreigd door Azië met landen zoals China en India, die de laatste jaren een enorme economische groei gekend hebben. Men kan niet langer de groei van de Aziatische tijgers ontkennen, maar kunnen ze werkelijk de concurrentie met de Verenigde Staten aan? Japan bijvoorbeeld heeft de laatste jaren een geweldige economische groei gekend (Cox, 2007, p.8). Het land komt echter uit een depressie, die tien jaar geduurd heeft. Daarnaast is er geen enkel teken dat Japan ook maar enige bedoeling zou hebben om te concurreren met de Verenigde Staten. Ze blijven voorlopig overtuigd met de Amerikanen samenwerken. China zou ook wel eens sterker kunnen worden dan de Verenigde Staten. De Chinezen blijven echter de Amerikanen geruststellen dat ze de Amerikaanse positie in Azië niet zullen ondermijnen. Economisch gezien, verkiezen alle landen ter wereld nog steeds om met de Verenigde Staten samen te werken in plaats van de concurrentie met Amerika aan te gaan.
Volgens Gibbens is Amerika verzwakt, wat zijn dan de gevolgen voor de rest van de wereld? Dit zou kunnen zorgen voor een versterking van de internationale gemeenschap, moesten er hier niet ook problemen zijn. De internationale organisaties bevinden zich immers ook in een crisis. Na het einde van de Koude Oorlog hoopte de wereld dat de Verenigde Naties eindelijk haar mandaat zou vervullen, namelijk dat ze de wereld in goede banen zou leiden (Pulcifer, 2003). Sinds de jaren ’90 zijn de meeste landen ervan overtuigd dat de Verenigde Naties een politiek instrument van de Verenigde Staten zijn. De Verenigde Staten zou met hun militaire en politieke macht individuele staten kunnen overtuigen om steeds Amerika te volgen. Dit zou bovendien in het nadeel van de Verenigde Staten kunnen spelen in de toekomst. Door het slecht functioneren van de Verenigde Naties, gaan andere staten zich misschien geneigd voelen om zich te verzetten tegen Amerika, economisch of militair.
In deze donkere tijden, hoopt Giddens dat een nieuwe Amerikaanse regering misschien de schade wat kan herstellen en andere standpunten zal innemen dan de huidige regering wat betreft grote internationale problemen zoals de opwarming van de aarde en de nucleaire proliferatie. Giddens denkt niet dat de wereld beter en veiliger zal zijn zonder het leiderschap van de Verenigde Staten. De Europese Unie is immers niet in staat om de rol van internationale politieman over te nemen. Hoe zullen we dan allemaal overleven? Het is dus aan een nieuwe regering om de Verenigde Staten te redden. Het huidig beleid van de Verenigde Staten kan men dus relativeren. Amerika is meer dan George W. Bush en (Cox, 2007, p.8). Er zal een nieuwe president komen en uiteindelijk zullen de Amerikanen zich terugtrekken uit Irak. Niemand kan langer ontkennen dat de Amerikanen serieuze problemen kennen, maar het einde van het Amerikaans tijdperk lijkt nog ver weg.

Giddens A./The Guardian.(15 november 2006). So much for the New Rome Geraadpleegd op 30 december 2007 op
http://commentisfree.guardian.co.uk/anthony_giddens/2006/11/post_635.html


Referenties:
- Cox M.(2007) Still the American Empire Political Studies Review, 5, 1-10.
- Pulcifer A./Yellow Times ( 24 april 2003) US Hegemony: The Dynamics of Global Power
Geraadpleegd op 30 december 2007 op

Beeldmateriaal: Amerika-Rammstein: Amerikaanse dominantie en imperialisme

Het nummer ‘Amerika’ van de Duitse band Rammstein handelt over de effecten van globalisering en dan vooral de verspreiding van Amerikaanse en Amerikaans geïnspireerde cultuur, producten en waarden. In de videoclip die bij het nummer hoort zien we hoe deze amerikanisering van de wereld zich verspreidt en hoe er weerstand tegen geboden wordt. Afrikaanse stammen eten pizza en kijken Amerikaanse televisie, Aziaten eten hamburgers en roken sigaretten. Afgaande op de tekst kunnen we enkele belangrijke punten van kritiek op de dominantie van de VS in de wereld onderscheiden.

Culturele diversiteit en cultureel imperialisme

We're all living in America,
Coca-Cola, Wonderbra,
We're all living in America,
Amerika, Amerika.

Globalisering en dan vooral de ontwikkeling van de geglobaliseerde wereldmarkt zijn versneld door een verhoogde mobiliteit van mensen en informatiestromen. De ontwikkeling en uitbouw van informatietechnologie in het bijzonder is hierbinnen zeer belangrijk geweest. Grote bedrijven profiteerden van deze schaalvergroting en ontwikkelden zich tot multinationals. Westerse en dan vooral Amerikaanse producten, muziek, media, … overspoelen sinds enkele decennia de rest van de wereld. Grote merken als Coca Cola en Pepsi, McDonalds en Nike zijn ondertussen bijna overal ter wereld doorgedrongen. Dit zorgt vaak voor een botsing met plaatselijke culturele gewoontes en waarden. Zoals steeds als het gaat om moderne invloeden heerst er een spanning tussen afwijzen en overnemen. De stroom van de amerikanisering blijkt echter vaak zo overweldigend dat bestaande culturen in de verdrukking raken en zelfs verdwijnen. Het belang van culturele diversiteit is nog onderwerp van discussie, met de globalisten in de ene hoek van de arena en anti- of andersglobalisten in de andere hoek. Een globale cultuur zou volgens sommigen de kans op frictie en conflict zeer verminderen en communicatie en contact bevorderen voor iedereen. Voorstanders van culturele diversiteit benadrukken dan weer dat het bestaan van verschillende culturen van groot belang is, aangezien zo ook een veelvoud aan invalshoeken en denkwijzen in stand gehouden worden. Het samengaan van deze verschillende culturen zorgt uiteraard bij momenten voor frictie, maar is ook zeer verrijkend. De organisatie UNESCO van de Verenigde Naties stelde in 2001 de Universal declaration on cultural diversity op. Op hun website staat het volgende te lezen:

“The ability of societies to enjoy diverse cultures is not only a good thing in itself but has been recognized as an important precondition for social and economic development. For such diversity to exist in a world in which inter-cultural exchange increasingly takes place through trade, strong cultural industries need to grow at a local level in developing countries to ensure diversity of cultural expression.”

Ook UNESCO ziet dus een dreiging in wat Benjamin R. Barber in zijn werk Jihad versus McWorld uit 1995 McWorld noemde. Over deze McWorld gaat het precies in de muziekclip ‘Amerika’: het ontstaan van een uniforme globale cultuur gebaseerd op de Amerikaanse.

Taaldiversiteit en linguistisch imperialisme

This is not a love song,
this is not a love song.
I don't sing my mother tongue,
No, this is not a love song.

Een bijzonder aspect van een verminderde culturele diversiteit is het verdwijnen van talen. Hoewel Mandarijnchinees voor meer mensen de eerste taal is, is het Engels zonder twijfel het wijdst verspreid. In internationale handel is het de meest gebruikte voertaal. De hierboven besproken groeiende verspreiding van Amerikaanse cultuur en producten heeft uiteraard de status van het Engels als wereldtaal enkel verder bevestigd. Het proces van het uitsterven van talen is uiteraard al millennia lang aan de gang (denken we maar aan Sumerisch, Assyrisch, …). Met de koloniale periode gevolgd door de steeds sneller uitbreidende globalisering verdwijnen talen echter steeds sneller.

Meer nog dan culturele diversiteit is taaldiversiteit een zeer moeilijk topic van discussie. Eén wereldtaal is in vele omstandigheden onvoorstelbaar handig, en binnen de context van de geglobaliseerde markt misschien wel een ware must. Taal is echter een zeer belangrijk aspect van cultuur, en het verdwijnen van talen is zo een indicatie van de verminderde culturele diversiteit.

Het politiek-militaire aspect van Amerikaanse dominantie

We're all living in America,
Coca-Cola, sometimes WAR,
We're all living in America,
Amerika, Amerika.

Als enige overgebleven militaire wereldmacht dirigeert de VS ook militaire interventies en politieke sancties. Onder meer door hun veelvuldig gebruik van hun vetorecht in de Veiligheidsraad leeft bij vele mensen het gevoel dat Amerikaanse wil wet is en er weinig meer van het democratische ideaal overblijft dan holle legitimerende retoriek. De tijd van rechtuit koloniseren is dan wel voorbij, maar de VS mengen zich wel steeds meer in de politieke aangelegenheden in bijvoorbeeld het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. Onder het mom van het beschermen van de Amerikaanse belangen, of zelfs het algemene belang, worden militaire interventies en campagnes ondernomen aan de andere kant van de wereld. Dit soort militair ingrijpen was tot een eeuw geleden nog ondenkbaar. Recent groeide de kritiek op deze machtsbalans met de opeenvolgende oorlogen in Afghanistan en Irak en zeker toen de VS hun offensief in Irak startten zonder steun van de VN.

Er is geen twijfel mogelijk dat Amerika in de nieuwe wereldorde na de Koude Oorlog als enige supermacht overblijft. Op vlakken als handel, militaire opbouw en technologische ontwikkeling staat de VS aan de top. Het zou ahistorisch en dus fout zijn om deze situatie als onomkeerbaar te bestempelen, of het evolueren naar de McWorld te zien als de enige mogelijke uitkomst van de globalisering. Toch raakt deze clip aan enkele fundamentele kritieken en angsten ten opzichte van de door Amerika geleide globalisering en de door de VS gestuurde wereldpolitiek. Barber plaatst Jihad, als vorm van tribalisme, tegenover McWorld. Het alternatief waar in de hier besproken clip indirect naar gezocht wordt moet zich ergens binnen het spectrum tussen deze twee krachten bevinden.

Clip te vinden op: http://nl.youtube.com/watch?v=4w9EksAo5hY

Bronnen

Barber, Benjamin R., Jihad vs. McWorld, Crown, 1995.

LaFeber, Walter, The Post September 11 Debate Over Empire, Globalization, and Fragmentation in: Political Sciences Quarterly, Vol. 117, Nr 1. 2002.

http://portal.unesco.org/culture/en/ev.php-URL_ID=24468&URL_DO=DO_TOPIC&URL_SECTION=201.html
Tine Vekemans

Bespreking “In praise of cultural Imperialism”- D. Rothkopf

In zijn artikel uit 1997 schrijft David Rothkopf het volgende over globalisering:

“The impact of globalization on culture and the impact of culture on globalization merit discussion. The homogenizing influences of globalization that are most often condemned by the new nationalists and by cultural romanticists are actually positive; globalization promotes integration and the removal not only of cultural barriers but of many of the negative dimensions of culture. Globalization is a vital step toward both a more stable world and better lives for the people in it.”

Verder gaat Rothkopf dieper in op deze negatieve dimensies van cultuur. Bouwend op de 'botsende beschavingen'-these van Samuel Huntington schetst hij de relatie tussen cultuur en conflict. De conflicten van de twintigste eeuw kunnen worden ingedeeld in verschillende groepen: religieus, etnisch en cultureel. Een mogelijke vierde groep zijn quasiculturele conflicten, waarbij een met culturele elementen verrijkt discours wordt gebruikt om legitimiteit te vergroten. In al deze categorieën speelt cultuur een belangrijke rol, zo stelt Rothkopf. De slachtoffers in de conflicten en genociden van de voorbije eeuw waren slachtoffers van cultuur.

“One million Armenians; tens of millions of Russians; 10 million Jews, Gypsies, and homosexuals; 3 million Cambodians; and hundreds of thousands of Bosnians, Rwandans, and Timorese all were the victims of "culture".”

Rothkopf gaat verder met een analyse van cultuur en verdeelt culturele verschillen in twee groepen: onschadelijke verschillen die geen aanleiding geven tot frictie enerzijds en verschillen die conflict uitlokken en dus overbrugd moeten worden anderzijds. Globalisering kan dit overbruggingsproces versnellen. De snelle technologische vooruitgang en dan vooral op het vlak van media, transport en informatica, zorgt ervoor dat we veel meer en makkelijker in contact komen met elementen uit andere culturen. De Verenigde Staten van Amerika spelen vandaag een leidende rol in dit proces. Niet iedereen is daar tevreden mee. Vele landen, niet enkel Iran en China, maar ook tot op zekere hoogte Frankrijk en Canada, hebben pogingen ondernomen de stijgende Amerikaanse culturele invloed enigszins aan banden te leggen.

“These governments are the heirs of King Canute, the infamous monarch who set his throne at the sea's edge and commanded the waves to go backward. The Soviet Union fell in part because a closed society cannot compete in the Information Age. These countries will fare no better.”

De cultuur van de globalisering, bepaald door Amerika, behelst ook de cultuur van de wereldmarkt. Hiermee hangt ook een vorm van global (of toch supranational) governance samen. Rothkopf ziet de evolutie naar een geglobaliseerde wereld onder leiding van de VS als onontkoombaar. De naties die deze evolutie tegenwerken, zullen verdwijnen omdat er tegen deze stroming naar een global culture niet te vechten valt.

Aangezien de VS de leidende rol hebben in het globaliseringsproces, hebben ze er alle belang bij om de global culture zo veel mogelijk af te stemmen op de Amerikaanse. Engels wordt de voertaal, globale waarden en wetten moeten overeenstemmen met de Amerikaanse, …

Rothkopf stelt dat de VS zich, als enige overgebleven militaire supermacht en onbetwist leider in de informatietechnologie, moet laten leiden door haar belangen.

“Americans should not shy away from doing that which is so clearly in their economic, political, and security interests-and so clearly in the interests of the world at large. The United States should not hesitate to promote its values. In an effort to be polite or politic, Americans should not deny the fact that of all the nations in the history of the world, theirs is the most just, the most tolerant, the most willing to constantly reassess and improve itself, and the best model for the future.”

Zo formuleert de auteur globalisering als alternatief voor de 'botsende beschavingen'-these. Door een verschil te maken tussen onschadelijke cultuurcomponenten en cultuurcomponenten die aanleiding geven tot frictie en conflict, komt Rothkopf tot een model dat een rooskleuriger toekomstperspectief geeft dan dat van Samuel Huntington en tegelijkertijd de vrees voor een volledig geüniformiseerde globale samenleving tegenspreekt. Culturele verschillen op het vlak van eetgewoonten, feesten, rituelen en muziek mogen blijven bestaan, aangezien ze niet geacht worden aanleiding te geven tot frictie.

Naar mijn gevoel vormt David Rothkopf in dit artikel een soort synthese van de ideeën van Samuel Huntington en Francis Fukuyama. Aan de ene kant ziet hij cultuur als de belangrijkste bron van conflict in de wereld vandaag, maar aan de andere kant ziet hij het machtsoverwicht van Amerika als een soort indicatie dat het Amerikaanse systeem de anderen overwonnen heeft en zo de enige valabele optie vormt voor een globaal systeem. Bij beide kanten kunnen we enkele bedenkingen maken.

In zijn indeling van verschillende soorten conflict stipt Rothkopf slechts kort een potentiële vierde conflictcategorie aan, namelijk die van de quasiculturele conflicten. Ik denk dat hij voorbijgaat aan de draagwijdte van deze groep. Gaan niet vele, om niet te zeggen de meeste, conflicten nog steeds om machtsverhoudingen, ongelijkheid of toegang tot grondstoffen? Culturele elementen zijn inderdaad steeds veelvuldig aanwezig in het discours in tijden van conflict, maar bij een diepgaandere analyse van de oorzaken van de frictie blijken religie, etniciteit en andere puur culturele elementen in het discours zelden meer te zijn dan legitimatiestrategieën.

Of globalisering enkel Amerikaans gestuurd kan zijn is onderwerp van veel discussie. In Rothkopfs betoog zijn genoeg argumenten vervat die verklaren waarom Amerika de leidende rol binnen het globaliseringsproces heef, en een logisch gevolg hiervan is dat de Amerikaanse cultuur een belangrijke invloed uitoefent en zal uitoefenen op de rest van de wereld. Of militaire en technologische superioriteit noodzakelijk een indicatie zijn van culturele superioriteit is hier echter nog maar de vraag.


David Rothkopf, "In Praise of Cultural Imperialism?" Foreign Policy, Number 107, Summer 1997, pp. 38-53

on-line op: http://www.mtholyoke.edu/acad/intrel/protected/rothkopf.html


Tine Vekemans

zondag 30 december 2007

New Rome, New Jerusalem

New Rome, New Jerusalem

-Stephanie Ceulemans


Rome was één van de grootste rijken in de geschiedenis. Na Rome kwamen ondermeer de Britten, de Fransen en Spanjaarden. En toen was er de Verenigde Staten. Reeds sinds de jaren ’60 is de term “Pax Americana” , in navolging van de “Pax Romana” van keizer Augustus, ons niet meer vreemd. Andrew J. Bacevich is professor internationale relaties aan de universiteit van Boston. Sebastian Mallaby is auteur van “After Apartheid: The Future of South Africa (1992)” en journalist bij The Washington Post. In het artikel “New Rome, New Jerusalem” zoeken zij naar de oorsprong van “Pax Americana.” Wat zijn de uitdagingen en welke prijs zal hiervoor betaald worden? Inleidend wordt het unieke van de Verenigde Staten benadrukt. Bacevich en Mallaby stellen aanvankelijk dat de Verenigde Staten nooit kolonies heeft gehad. Wel wordt er verwezen naar de “indirecte invloed” die Amerika zou hebben op andere landen. Heeft de Verenigde Staten nooit gekoloniseerd? Het expansionisme van de Verenigde Staten sinds de 19de eeuw is informeler dan de kolonies van het Britse imperium (Gindin en Panitch, 2003, p 11). Het blijft echter een vorm van kolonisering. Sinds de 19de eeuw wordt het transport van Amerikaanse goederen beschermd in Latijns-Amerika. Daarnaast zijn er ook Puerto Rico, Filippijnen en Hawaï, zijn of waren dit geen kolonies?
Vervolgens stellen de auteurs dat hun land meer uit is op het “verleiden” van de andere landen tot “the American way of life” dan op het laten gelden van hun militaire macht. Na de Tweede Wereldoorlog was de aantrekkingskracht van de bloeiende Amerikaanse vrije economie inderdaad groot (Gindin en Panitch, 2003, p.9). Het militaire aspect mag echter niet onderschat worden. Bovendien is dit statement, komende van Amerikaans historicus Andrew J. Bacevich, vreemd. In een andere post op deze blog bespreek ik immers een lezing van Bacevich omtrent zijn boek rond het “The new American militarism.” Daarin stelt hij dat de Verenigde Staten graag de wapens gebruiken om de “democratie” te verspreiden.
In navolging van de Europese rijken, is er nu de “Pax Americana.” De “Pax Americana” staat echter in het teken van vrijheid. Thomas Jefferson sprak over “een rijk van vrijheid.” Is de Verenigde Staten werkelijk “een imperium van vrijheid?” Is de link tussen de Verenigde Staten en vrijheid zo vanzelfsprekend? Ze verkondigen de democratie, vrijheid en het individualisme. Volgen de Amerikanen echter zelf deze waarden? De oorlog in Irak is een goed voorbeeld. In een andere post op deze blog heb ik het voorbeeld besproken van een dagblad uit Florida (Johnson, 2006, p.30). Daar werden de journalisten begin 2004 aangespoord zo weinig mogelijk de burgerslachtoffers van de oorlog te vermelden in de krant. Is dit vrijheid?
Amerika zal de wereld “leiden” naar vrijheid en democratie. Zij die tegen de Verenigde Staten zijn, zijn tegen vrijheid. 11 september 2001 heeft deze gevoelens versterkt. “They hate our freedoms.” zei George W. Bush. Misschien hebben de aanslagen wel iets te maken gehad met de manier waarop de Verenigde Staten de globale macht opeisen. In hoeverre erkennen de regeringsleiders van de Verenigde Staten zelf hun globale suprematie? Wilden de regeringsleiders de bevolking afleiden van de gevolgen van imperialisme. Pas naar het einde toe van de 20ste eeuw kwam het “Amerikaans imperialisme” steeds meer op de voorgrond(Gindin en Panitch, 2003, p 3). Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright stelt in 1998, “If we have to use force, it is because we are America. We are the indispensable nation.”Het ontwijken van “imperialisme” kon niet blijven duren.
Bacevich en Mallaby vergelijken het huidige “rijk” van de Amerikanen met het Romeinse Rijk. Blijkt nu dat de Amerikanen anders met hun macht omgaan. Het belangrijkste verschil is dat de Verenigde Staten vooral steunt op een populistische politiek, terwijl de Romeinen prat gingen op hun aristocratische waarden. Zo zouden zij toch trouw blijven aan hun republikeinse waarden, trouw aan hun volk. Is dit werkelijk zo? De huidige Amerikaanse politiek is deels populistisch. Getuige hiervan zijn de vele toespraken van de Amerikaanse president. De Amerikaanse politiek is echter tevens een politiek geworden die angst creëert en extreem patriottisme propageert (Ahmad, 2003, p.60). Zorgt de Amerikaanse overheid er niet voor dat het volk enkel hoort wat ze graag willen horen? Het voorbeeld van de krant uit Florida staaft dit. Zijn dit dan republikeinse waarden? Het streven naar “Pax Americana” zou voor problemen zorgen voor de Verenigde Staten. Eén van deze obstakels is de steun van de Amerikaanse bevolking. Deze steun is echter zeer contigent. De Amerikanen beseffen hun globale macht niet eens. Of ze willen dat de Verenigde Staten de grootste macht ter wereld is, maar een prijs, die ondermeer oorlog betekent, willen ze er niet voor betalen. De Amerikaanse burgers beseffen dat aan de oorlog in Irak een prijskaartje hangt. Het Amerikaanse protest tegen de oorlog in Irak groeit elke dag. Tenslotte is het laatste obstakel van de “Pax Americana” de vrijheid zelve. Vrede en vrijheid zouden bereikt worden zoals de Verenigde Staten het wil. Dit is een contradictio in terminis. Want zo verliest vrijheid zijn betekenis. Vrijheid is geen vrijheid meer, als die bepaalt wordt door een staat. Welke vrijheid is het dan? De Verenigde Staten moeten volgens Bacevich en Mallaby kiezen tussen unilateralisme en multilateralisme. Het is immers makkelijker om in een conflict tussen te komen, wanneer je de steun hebt van de internationale gemeenschap. Het leiderschap van de Verenigde Staten en de internationale legitimiteit moeten gecombineerd worden. Doen ze dit al niet? Tevens Bacevich en Mallaby wijzen hierop. De Wereldbank en de Verenigde Naties worden bijvoorbeeld overheerst door de Verenigde Staten. Bacevich en Mallaby besluiten dat de primaire rol van de Verenigde Staten belangrijk blijft in de wereld en dat dit moet uitgespeeld worden. Het is zo dat de Verenigde Staten het sterkst staan in de wereld, maar zal dit ook zo blijven?

Bacevich, A.J. en Mallaby, S. (2002) New Rome, New Jerusalem Wilson Quarterly, 26 (3).




Referenties:
- Ahmad A. (2003). Imperialism of Our Time. In Leys C. en Panitch L. (Eds) The new
imperial challenge. (pp. 43-63). Londen: Merlin Press.
- Gindin S. & Panitch L. (2003). Global capitalism and American empire. In Leys C. en
Panitch L. (Eds.) The new imperial challenge. (pp. 2-42). Londen: Merlin Press.
- Johnson, C. (2006). Nemesis. The last days of the American Republic. New York:
Metropolitan books.



zaterdag 29 december 2007

The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire

In zijn artikel ‘The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire’ neemt Niall Ferguson een opmerkelijk standpunt in in het discours rond imperialisme. Vele mensen duizelen bij het idee alleen al, maar voor Ferguson is een imperialistisch Amerika de enige manier om een wereldorde te handhaven en de westerse waarden en rijkdom veilig te stellen. De Verenigde Staten zijn een imperium en dat is volgens hem nog niet zo slecht. Hoog tijd dat de Amerikanen zich ook bewust worden van deze macht, vindt de auteur, opdat zij deze op een efficiënte manier zouden aanwenden.

Alhoewel vele vorsers het moeilijk hebben het begrip te definiëren, stelt dat voor Ferguson niet zo’n groot probleem. Op basis van een tabel met imperialistische karakteristieken, worden de VSA snel en eenvoudig een imperialistische macht toegeschreven. De eigenschappen die het land hiervoor bezit, zijn volgens de auteur de volgende: “a liberal democracy and market economy (..) concerned with its own security and maintaining international communications,…, with ensuring access to raw materials. It is also in the business of providing a limited number of public goods: peace by intervening,…, freedom of the seas and skies for trade, and a distinctive form of conversion usually called Americanization,…, its method of formal rule are primarily military in character; its methods of informal rule rely heavily on corporations and nongovernmental organizations, and in some cases, local elites.” (Ferguson, pg. 20)

Bovenstaande kenmerken lijken inderdaad te bevestigen dat Amerika een imperium is. Toch zijn er, bij nader inzien, enkele grote onduidelijkheden. Zo kan er opgemerkt worden dat Amerika niet aan gebiedsuitbreiding doet, wat ook in het artikel vermeld wordt. De auteur maakt daar geen probleem van, maar als je naar de geschiedenis kijkt, lijkt dat een basisvoorwaarde te zijn waar alle imperialistische grootmachten aan voldeden. In hoeverre is dit element noodzakelijk om van een imperium te kunnen spreken? Robin Blackburn blijft in zijn artikel ‘Emancipation & empire, from Cromwell to Karl Rove’, vaag over de imperialistische staat van de VSA. Af en toe gebruikt hij zelfs woorden als ‘informeel imperialisme’ (pg. 77) ‘neo-imperialisme’ (pg. 86) om te onderlijnen hoe dubieus de macht van de VSA is. Ook hij stelt vragen bij de nodige gebiedsuitbreiding en vraagt zich af of de vele militaire basissen en allianties misschien een moderne vorm hiervan zijn. (Blackburn, pg. 77) Vast staat dat Blackburn een onderscheid maakt tussen de huidige VSA en de vroegere grote imperia waar het land nu mee wordt vergeleken.

Ook Ian Jackson trekt de imperialistische macht van de VSA in twijfel, wanneer hij het boek ‘Colossus: The Rise and Fall of the American Empire’ van Ferguson, bespreekt in het artikel ‘The new American empire examined’. In zijn kritiek vindt hij steun in de onderzoeken van Joseph Nye, die als politicoloog verbonden is aan Harvard. Jackson stelt “The United States is unquestionable the world’s only military superpower, but this is not the case in economic terms. Washington is merely one of a number of commercial powers in an increasingly multipolar world economy.” Verder verwijst Jackson nog naar de steeds groeiende kritiek die de VSA krijgt, vanuit het Midden-Oosten, maar ook vanuit Europa en op de tegenwind die de grootmacht krijgt van zowel de Europese Unie als van Japan in bijvoorbeeld de WTO. (Jackson, http://findarticles.com/p/articles/mi_m 2242/is_1668_286 /ai_n11836968/print)

De vraag of de VSA wel of niet een imperium zijn, is dus niet zo eenvoudig te beantwoorden en dit voornamelijk door een gebrek aan duidelijke definiëring van het concept in de literatuur.
Waarover wel vele onderzoekers het eens zijn, is dat in deze wereld van grootmachten, de Verenigde Staten van Amerika de grootste macht zijn. Het uitgebreid internationaal, economisch en politiek netwerk van allianties en basissen in combinatie met hun militaire overmacht, maken van de VSA de belangrijkste en meest invloedrijkste internationale speler. Hierdoor is het automatisch ook de gevaarlijkste. Of de VSA al dan niet een imperium is, is meer een vraag naar wat een imperium in de 21e eeuw betekent, dan naar wat de VSA vandaag zijn.

Uit het artikel van Ferguson komt echter een nog interessantere vraag naar voren. Is dit Amerikaanse imperium,de enige manier om in de 21e eeuw in een wereldorde te voorzien en de toekomst van het Westen veilig te stellen? De auteur verspilt in zijn artikel weinig woorden aan eventuele alternatieven. Hij stelt enkel vast dat zowel de natiestaten als de internationale instellingen zoals de VN er niet in geslaagd zijn een wereldorde te creëren. Door mislukkingen op te noemen zoals de onmacht van de VN om op te treden bij humanitaire rampen als die in Darfur, Rwanda en de Balkan, tracht de auteur aan te tonen dat het internationalisme geen succesvol alternatief biedt. De natiestaten worden van de hand gedaan, door te wijzen op de vele interne conflicten en burgeroorlogen die zij met zich meebrengen. Met deze eenzijdige manier van argumenteren kan echter ook het imperialisme van tafel geveegd worden. Ferguson is de lezer hier echter voor en geeft toe dat momenteel, door toedoen van mislukkingen als Irak, ook het Amerikaans imperialisme lijkt te zijn mislukt. Toch is dit volgens hem enkel een oppervlakkig probleem en is het falen van het huidige Amerikaanse beleid louter te wijten aan foute beslissingen van de regering Bush en niet aan het imperialisme op zich.

Is dit een juiste stelling? Als we kijken naar de geschiedenis kunnen we niet anders dan vaststellen dat de imperia sinds het einde van de 19e eeuw geen lang bestaan meer kennen. Europese imperialistische machten kwamen, einde 19e eeuw, in elkaars koloniale vaarwater en zowel de eerste als de tweede wereldoorlog waren het resultaat van rivaliteiten tussen hen. Op het Europese continent, maar ook elders luidde de 20e eeuw het definitieve einde van het imperialisme in. Denk maar aan het Chinese Qing imperium, dat na bijna 300 jaar, in 1912, ten onder ging en het Ottomaanse rijk dat met WOI verdween na bijna 500 jaar. Om het tegendeel te bewijzen verwijst Ferguson naar de Sovjet Unie, maar die hield het niet lang vol. In 1991 was het alweer verdwenen. Bovendien verdwenen imperialistische staten niet alleen, andere machtsconstructies kwamen in de plaats, namelijk die van natiestaten en internationale - en supranationale instellingen en verdragen.

Het lijkt dus alsof in de huidige tijd er geen plaats meer is voor imperia. Welke redenen zijn voor deze stelling te vinden? Akira Iriye legt in zijn artikel ‘Beyond imperialism: the new internationalism’ het verband tussen de globalisering en het einde van het imperialisme en dit door middel van het nationalisme. “The processes of globalization that had facilitated imperialism were now encouraging the spread of anticolonial nationalism. … after the Great War, when economic globalization resumed, buttressed by such technological inventions as the airplane, the radio and the cinema. Imperialism however was not reinforced by this process but, on the contrary, was eclipsed by an ever more vociferous clamor for national liberation all over the world.” (pg. 112) Ook de Amerikaanse president Wilson droeg nationale soevereiniteit hoog in het vaandel. Na de tweede wereldoorlog werden internationale instellingen opgericht, zoals de Verenigde Naties ter bewaring van deze nationale onafhankelijkheid en soevereiniteit.

Iriye legt uit hoe imperialisme en globalisatie elkaar aanmoedigde tot de wereld zo klein was geworden dat er enkel nog maar plaats was voor dat laatste. Kolonies verbrokkelden en hiermee ook het imperialisme, telkens de kloof tussen bezetter en de onderdrukte kleiner werd.

Later in de 20e eeuw, werden internationale verdragen afgesloten rond waarden als mensenrechten en democratie. En het is hiermee dat grootmachten definitief een kruis zetten over het imperialisme. Hoe kan een wereldmacht zoals de VSA deze internationale waarden uitdragen wanneer het een imperialistisch buitenlandsbeleid voert? De twee staan haaks op elkaar en er zal gekozen moeten worden. Ofwel wordt het imperialisme verlaten, ofwel het internationalisme. Dat laatste is haast onmogelijk, elk individu weet waar het recht op heeft en een imperialistisch gedreven staat zal deze rechten moeten schenden om haar macht te doen gelden.

Amerika, als grootste macht ter wereld, heeft zich de laatste zes jaar al vaak moeten verantwoorden tegenover haar bevolking én de internationale gemeenschap. De inval in Irak is verlopen zonder de toestemming van de VN. Media speelden het spel even mee wanneer het verslag bracht van de WMD die in het land opgestapeld lagen, maar uiteindelijk rapporteerden diezelfde media dat dat allemaal één grote leugen was. De ene zender mag dan al meer beïnvloed zijn door de regering dan de andere, maar op youtube post ieder zijn eigen verhaal. In deze wereld van globalisering en internationalisering waar iedereen in contact kan komen met de ander en waar elkeen gelijk is aan de ander valt het serieus te betwijfelen of er op lange termijn een imperium vol te houden is. “Even if somehow a new empire were to emerge, that empire would have to embody principles of human rights and justice for all.” (Iriye, pg. 115)

Het is een feit dat het internationalisme nog niet op punt staat en dat vele van deze instellingen een spreekbuis zijn voor de VSA en het Westers liberaal kapitalisme. Hier zal nog veel aan moeten gesleuteld worden. Toch is dit geen reden om de wereldorde in handen te houden van één imperium. Het idee van een geglobaliseerde wereld ontneemt elke vorm van overmacht haar legitimiteit. Het is inderdaad zo dat Amerika nog steeds numero uno is, maar de vraag is of dit nog het geval zal zijn over honderd jaar. Zoals reeds besproken, wankelt haar machtspositie op verschillende punten.

“After all, there actually are other ways of securing international order. And there is no reason why the internationalist legacy, rather than the legacy of the briefly dominant new imperialism, should not serve humankind today.” (Iriye, pg. 116) Of zoals Blackburn het formuleert: “What is required is institutional innovation and a democratic new ‘cosmopolitics’ that nourishes the social and economic capacities of its constituent states.”

Gudrun Mostmans

Ferguson N., The unconscious colossus: limits of (& alternatives to) American empire, (2005), Daedalus, 134, 2, pg. 18-34.

Ook nog gebruikt:
Blackburn R., Emancipation & empire, from Cromwell to Karl Rove, (2005), Daedalus, 134, 2, pg. 72-87.
Iriye A., Beyond imperialism: the new internationalism, (2005), Daedalus, 134, 2, 108 – 116.
Jackson I., Then new American Empire examined, http://findarticles.com/p/articles/mi_m 2242/is_1668_286 /ai_n11836968/print

vrijdag 28 december 2007

“Secure under their separate flags, they are free to demonstrate to the world that nations can live together as good neighbours.”

Het debat omtrent het imperialisme van de VS draait meestal rond kwesties uit het heden. Laten we echter eens niet enkel focussen op de huidige War on Terror of op de inval in Irak. De Amerikaanse staat heeft een langere geschiedenis dan dat. Hoe werd pakweg 50 jaar geleden gekeken op het imperialisme van de VS? Was er toen al die imperialistische trend?

Daarom hier een artikel uit 1938 als focus. Niet geheel neutraal, me dunkt, en dat zullen jullie wellicht ook merken, maar toch boeiend om een stem uit het verleden aan het woord te laten.

Het artikel van Lockey draait om twee fenomenen die hij duidelijk van elkaar wil scheiden: het ene is pan-amerikanisme, het andere imperialisme. Wat zijn beide fenomenen echter? Pan-amerikanisme is moeilijk te definiëren omdat het – op tijd van schrijven en volgens Lockey – nog geen duidelijke vorm aangenomen heeft, imperialisme heeft dan weer last van een teveel aan definities.

Pan-amerikanisme kan een gevoel zijn, een idee, een verlangen. Volgens Robert Lansing (tussen 1915 en 1920 de Secretary of State onder president Woodrow Wilson) is het eerder een beleid, het internationale beleid van Amerika (in termen van Lockey: the Americas, met andere woorden het ganse continent van Noord-, Centraal- en Zuid-Amerika samen). Wanneer men zegt “beleid”, zegt men impliciet ook “een soort bureau die dat beleid formuleert en promoot”. De internationale Amerikaanse conferenties formuleerden niet enkel het beleid, ze voerden dat beleid ook daadwerkelijk uit. Om een blik te werpen op hoe dit beleid zich concreet manifesteert, moet we ons eerst de vraag stellen: wat is nu juist het beleid van the Americas? De pas onafhankelijke staten van de Nieuwe Wereld namen een aantal principes aan om zo een continentale eenheid te vestigen. Deze principes waren: onafhankelijkheid en gelijkheid van de Amerikaanse naties, gemeenschappelijke politieke idealen, geen interventie, geen verovering, het uitwerken van disputen op vriendschappelijke basis, en coöperatie om gemeenschappelijke doelen te bereiken. Dit is niet de praktijk: dit zijn de idealen die dienden nagestreefd te worden. Maar als ideaal en praktijk te ver uiteen liggen (en dan vooral wat betreft de machtigste van de staten: de VS), dan wordt pan-amerikanisme het mikpunt van spot. Daarom moeten we ons de vraag stellen of de VS de onafhankelijkheid en gelijkheid van de mede-naties wel respecteren en of ze zich afhouden van interventie. Pogen de VS deze naties niet net te domineren? Sommige critici menen namelijk dat de VS niet pan-amerikanisme, maar wel imperialime nastreven. Maar wat is imperialisme dan? Om van imperialisme te kunnen spreken, heeft men een “empire” (vanaf nu zal ik daar de Nederlandse term “rijk” voor gebruiken) nodig. Ofwel een rijk dat gehandhaafd moet worden, ofwel een rijk dat nog gesticht moet worden. Pan-amerikanisme heeft als doel een gemeenschap van gelijke en samenwerkende naties te behouden, imperialisme is erop gericht een rijk te stichten en te handhaven. Deze twee “ismen” staan dus tegenover elkaar. Welk “isme” kozen de VS te volgen?

Lockey bestudeert het fenomeen van rijken doorheen de geschiedenis. Het Romeinse Rijk is het meest gebruikte voorbeeld. De drie belangrijkste kenmerken van dit rijk waren (1) een centrale Romeinse staat die het imperium beheerst, (2) afgelegen veroverde gebieden en (3) controle over deze gebieden door middel van Romeinse gouverneurs en legers. De rijken die in de 16e en 17e eeuw ontstonden zijn eerder koloniaal dan imperiaal te noemen (Portugal, Engeland, de Nederlanden, Spanje). Deze rijken werden in de 18e en 19e eeuw vervangen door nieuwe (Italie, Frankrijk, België, het Britse rijk).

Lockey gaat nu onderzoeken wat de natuur is van het vermeende (sic) imperialisme van de VS. Hij meent dat de VS in de vroege jaren van de onafhankelijkheid geen rijk vormden: het feit dat de VS heer en meester waren over “die kleine Indische bevolkingsgroep” wil volgens de auteur niets zeggen (“anders zou je van elke natie kunnen zeggen dat het een rijk is”). Maar misschien was het beleid van de VS er dan vanaf het begin op gericht een rijk te stichten? Nee, zegt Lockey. Het opnemen van Louisiana en Florida, bijvoorbeeld, was deel van “een proces van nationale groei” (en niet imperialisme). De VS hebben er met betrekking tot de Mexicaanse Oorlog bovendien voor gekozen om niet heel Mexico te annexeren. Moesten ze dat wel gedaan hebben, was er sprake geweest van een Amerikaans Rijk, maar de VS hebben bewust gekozen dit níet te doen, meent Lockey. In de jaren nadien verlangden de VS steeds meer naar “naval outposts”. Hiervoor richten ze zich op Alaska en de Dominicaanse Republiek. Omdat de wens van de Dominicaanse regering om bij de VS aan te sluiten niet de wens van de bevolking van de Dominicaanse Republiek weerspiegelde, zijn de VS daar niet op in gegaan, luidt het artikel van Lockey. Bovendien zou de Senaat gevreesd hebben dat de annexatie van de Dominicaanse Republike tot andere annexaties en aldus tot de stichting van een rijk zou leiden. Dergelijke bezwaren golden niet voor de annexatie van Alaska. Lockey reikt nog verdere voorbeelden aan om de critici die de VS imperialistisch noemen, de mond te snoeren:

- Cuba en de Spaans-Amerikaanse oorlog: “To some minds the Spanish-American War in its objects and results provides indisputable evidence of American imperialism. It provides in fact the most convincing proof to the contrary. […] From the beginning the Congress committed itself as far as Cuba was concerned by declaring that the people of that island ‘are, and of right ought to be, free and independent’.”

- Analoog wat betreft de Filipijnen. We lezen in de Jones Act van 1916: “It is, and it has always been, the purpose of the people of the United States to withdraw their sovereignty over de Philippine Islands and to recognize their independence as soon as a stable government can be established therein”.

- Wat betreft Puerto Rico zou je kunnen denken dat het gaat om het stichten van een rijk (per slot van rekening vestigen de VS hun macht over een afgelegen gebied met een bevolking die een heel andere taal, cultuur en instituties heeft dan het overheersende land) maar in grootte van gebied of bevolking is Puerto Rico onbeduidend tegenover de VS. “If a swallow does not make a summer, neither does one small island make an empire”, meent Lockey.

Waarom sommige Caraïbische eilanden beschouwd worden als toebehorend aan de VS, komt door interventie. Ze menen dat de VS een rijk vormen en dat hun gewapende krachten daar het bewijs van zijn. Ja, geeft Lockey toe, de Amerikaanse regering moet hiervoor haar deel van de schuld op zich nemen. De interventies zijn immers verwarrend en hebben vaak meer kwaad dan goed voortgebracht. Maar de regering is zich daar nu van bewust, zegt de auteur, en “if interference in the internal affairs of our neighbours is not yet entirely at an end, it is undoubtedly in the process of coming to an end”.

Wat dan met het aanwijzen van de VS als economisch imperialistisch? Lockey maakt hier snel kort metten mee: “It is enough to say that it is set forth as an attack not primarily on imperialism but on capitalism. The purpose of this paper is not to discuss Pan-Americanism in relation to capitalism. Its purpose it to discuss Pan-Americanism in relation to imperialism, and to that subject is must be confined.”

Lockey’s algemene conclusie luidt dat de VS vrij is van dat imperialisme. De reden waarom sommige partijen de VS pogen te beschuldigen van imperialisme, is omdat ze zelf andere interesses hebben, die ingaan tegen het Amerikaanse beleid. Vandaar de fictie (sic) dat pan-amerikanisme een dekmantel is voor imperialisme.

Lockey’s artikels is een in mijn ogen beetje naïeve, of althans gekleurde, versie van de feiten. Wenkbrauw-fronsend bij zijn keuze van woorden* heb ik zo mijn eigen bedenkingen bij zijn visie. Dit alles belet echter niet dat deze kijk op het onderwerp niet aan bod kan komen. Het leek me in deze context juist bijzonder interessant. Het debat of de VS zich al dan niet schuldig maken aan imperialisme gaat verder, nu 70 jaar later. Fijn om ook even het begin van de draad te zien.

* Vooral het “If a swallow does not make a summer, neither does one small island make an empire” streek me wat tegen de haren in. Omwille van zijn soms nogal krachtig woordgebruik heb ik – vooral op het eind – een aantal letterlijke citaten van de auteur bijgevoegd, zodat jullie zelf zijn woorden kunnen wikken en wegen.

Bron: Lockey, J.B. (1938): Pan-Americanism and Imperialism. In: The American Journal of International Law, Vol. 32, No. 2, pp. 233-243.

Ann-Kathleen de Sagher

“Hey, terrorists, terrorize this!”

Misschien niet de meest voor de hand liggende keuze als het gaat om een kritische kijk op het huidige USA-beleid, maar wel een toonbeeld van spot met het hedendaagse Amerikaanse imperialisme: de film “Team America: World Police” van Trey Parker en Matt Stone, beiden beter gekend als de makers van “South Park”.

De film houdt het midden tussen een tekenfilm en een poppenkast en heeft veel weg van Thunderbirds, de Britse serie uit de jaren ’60, die het verhaal vertelt over de International-Rescue-organisatie. Het reddingsmiddel in deze film echter is - zoals de titel verraadt - Team America, een bende losgelaten nozems die menen de wereld te verbeteren en daarbij de Eiffeltoren, het Louvre, Gizeh en andere pareltjes verwoesten.

In de mate dat een “laten-we-lachen-met-alle-dwaze-Amerikaanse-clichés”-film een plot kan hebben, is dit waar het dus eigenlijk om gaat: de film vangt aan in Parijs (dat gesitueerd wordt op “3,635 miles east of America”). Een vrolijk jongetje dat uit volle borst Frère Jacques zingt, botst op tegen een groep verdacht uitziende mannen in lange tunieken, met een lange baard en borstel-wenkbrauwen boven dreigend rollende ogen. Lang leve prototypes. De Arabieren van dienst spreken helemaal geen Arabisch, maar uiten zich in een wartaaltje à la “bakalaka laka”. Wanneer ze later in de film nog eens aan bod komen, zijn de enige begrijpelijk woorden “Muhammad Jihad!”.

In een koffertje houden ze massavernietigingswapens (WMD’s) bij, die elk moment kunnen ontploffen. Op dat moment duikt, deus ex machina, Team America op. Resultaat van hun opvoering is de destructie van de Eiffeltoren én het Louvre, maar “de terroristen zijn uitgeschakeld”.

De terroristen blijken in opdracht van de Noord-Koreaanse staatsleider Kim Jong-il te werken, maar dit weet Team America niet, ondanks de krachten van hun (blijkbaar niet) alwetende computer I.N.T.E.L.L.I.G.E.N.C.E. (wat later in de film leidt tot quotes als “We have no intelligence!”). Wanneer Team America terugkeert in haar basis in Mount Rushmore, blijkt het netwerk toch niet opgerold en roept het team de hulp in van een acteur, Gary, die zich moet vermommen om te spioneren bij de terroristen in een bar in Caïro. De missie slaagt, want de terroristen worden uitgeschakeld, alsook de halve site van Gizeh. Omwille van deze destructie en inefficiëntie krijgt Team America weerstand: de Film Actors Guild (met Alec Baldwin, George Clooney, Sean Penn, Helen Hunt, en zoveel andere hedendaagse ik-zal-de-wereld-veranderen-acteurs) komt samen en beslist actie te ondernemen tegen Team America. Wanneer uiteindelijk ook de regio van het Panama-kanaal (“Panama, Central America, South of the real America”) onder een terroristische aanval te lijden krijgt en de Film Actors Guild de vinger wijst naar Team America, gaan de acteurs protesteren bij de basis in Mount Rushmore, wat leidt tot de destructie van de basis. Tegelijk worden alle leden van Team America, behalve Gary die intussen het team in de steek gelaten heeft, onder vuur genomen door Noord-Koreaanse vliegtuigen en door Kim Jong-il in hechtenis genomen, in afwachting van de grote vredesconferentie die deze laatste in samenspraak met de Film Actors Guild wil op poten stellen. Het plan is om tijdens de vredesconferentie simultaan MWD’s te laten ontploffen over de hele wereld. Gary komt echter op miraculeuze wijze Team America redden en ontmaskert net op tijd Kim Jong-il als bendeleider.

De film haalt er met andere woorden alle clichés van de doorsnee Amerikaanse actiefilm door: de opeenvolging van liefdesverklaringen op de foutste momenten, emotionele uitingen “in the heat of fire” en stupide one liners à la “Hey, terrorists, terrorize this!”. Maar het is meer dan een satire op breinloze en romantische actiefilms. Het hekelt onder andere de overdreven vereenvoudiging van grote wereldkwesties. De idee dat alle terroristen het gemunt hebben op de vrijheid van Amerika, is er één van. Het is één van de geliefkoosde argumenten in het discours omtrent de War On Terror: terrorisme is een bedreiging van de Amerikaanse manier van leven, de algehele Amerikaanse cultuur wordt aangevallen. Of zoals Lisa het verwoordt wanneer ze Gary overtuigt lid te worden van Team America: “Your freedom is at stake too". Dit zwakke argument moet het hedendaagse Amerikaanse imperialisme goedpraten en de War On Terror wordt op deze manier gerechtvaardigd: de USA móeten de wereld wel redden van de ondergang (want wie zal het anders doen?). Hoewel de Bush-administratie nooit direct genoemd wordt, is het duidelijk wat het mikpunt van spot is. De film draait rond de overmoedige aanname van de Amerikaanse regering dat de USA, als enige overblijvende grootmacht, geroepen is om ’s werelds leider te worden en dé bewaker van vrijheid. De poppenkast is een aanval op het Amerikaanse imperialisme en de xenofobie die de staat beheerst: de USA twijfelen er niet aan dat zij dé gerechtvaardigde grootmacht zijn, stellen zich de vraag niet of het terecht is zich op te werpen als verdediger van democratie en vrijheid en dat ook te doen in landen waar ze niets te zoeken hebben. Team America trekt daarom even blind ten strijde tegen de kwade machten als in realiteit de Amerikaanse regering dat doet. En ook al leggen ze prachtige cultuursites plat, het team lijkt hiervan helemaal niets te merken, zoals ze ook niet inzien dat eigenlijk niemand hen gevraagd heeft in te grijpen. Ondanks het feit dat in de film geen woord gerept wordt over Irak, is dit duidelijk een symbolische representatie van hoe Amerika Irak binnenviel: zogenaamd omdat het land WMD’s bezat, waardoor de USA dus geroepen waren om te wereld te redden van die boze Saddam-tirannie. Intussen weten allen wat een grove leugen dit was en hoe het als dekmantel gebruikt werd voor het imperialistisch beleid van de USA.

Het beleid van de Amerikaanse regering is echter niet de enige vorm van “imperialisme” die in deze film gehekeld word. De hedendaagse Hollywood-generatie krijgt er eveneens stevig van langs. Het is een fenomeen van de laatste jaren dat acteurs zich steeds vaker opwerpen als wereldverbeteraars (George Clooney en zijn film over Darfur, Angelina Jolie als Goodwill Ambassador aangesteld door het UNHCR, de open brief van Sean Penn in 2002 om Bush te vragen niet binnen te vallen in Irak). De academische wereld is niet de enige groep om daar kritiek op te leveren, deze film kan er ook aardig wat van. Geen wonder dat één van commentaren op de film als volgt luidde: “You’ll only be offended if you have so sense of humour or if you’re Sean Penn.”

Het belang van films als deze mag niet onderschat worden. Natuurlijk zal deze film niets concreet bewerkstelligen. De Bush-administratie zal niet plots de huidige koers wijzigen door een poppenkast van formaat. Maar het is belangrijk dat vanuit de Amerikaanse staat zelf kritiek geuit wordt op deze manier: humor die ook bij het publiek terecht komt.

Ann-Kathleen de Sagher

donderdag 27 december 2007

Beyond American History van Michael Lind versus End of Dreams, Return of History van Robert Kagan

Beyond American History van Michael Lind versus End of Dreams, Return of History van Robert Kagan

Nele Eggermont



Voor het invullen van deze opdracht heb ik besloten twee teksten naast elkaar te plaatsen. Tijdens de zoektocht naar geschikt materiaal vielen enkele zaken op: er werd niet zozeer gefocust op de al dan niet terechte positie van de U.S. als wereldheersers, maar veeleer op haar (militaire) aanpak om deze dominante positie te bevestigen. Verder kwam de sterkte van de Amerikaanse positie aan bod, of de macht van de U.S. effectief was of reeds tanende.
Sinds het einde van de Koude Oorlog is er een unipolaire wereld geschapen, met de U.S. op nr.1. De Amerikaanse buitenlandse politiek was er op gericht om deze militaire positie te behouden en als beschermer en verspreider van democratie op te treden. De huidige president heeft de buitenlandse aanpak een nieuwe dimensie gegeven met preventieve oorlogen, waarvan de operatie in Irak vooralsnog niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Dit wakkerder de discussie aan rond de zogenaamde Bush-Doctrine en wat eruit moet volgen.
Indien de macht van het U.S. empire aan het uithollen is en indien het falende beleid van George W. Bush het einde van de Amerikaanse hegemonie betekent, wat biedt de toekomst dan? Wat zijn de alternatieven voor een U.S. gedomineerde wereld?
Deze vraag wordt zowel in het artikel van Michael Lind als in dat van Robert Kagan behandeld, maar de invulling van het antwoord is verschillend.

Michael Lind stelt dat het buitenlandse beleid van George W. Bush, de zogenaamde Bush-doctrine, gefaald heeft, maar dat er nog geen consensus is over de draagwijdte van de mislukking. Hij schetst twee mogelijkheden: de grootse strategie voor Irak was slecht geïmplementeerd op operationeel en tactisch niveau of het zit dieper, de strategie op zich vertoonde reeds basten?
De wortels van de Bush-doctrine gaan terug tot de Koude Oorlog waar de consensus ontstond dat het tijdelijke U.S. overwicht in West-Europa en Oost-Azië omgezet moest worden in permanente U.S. hegemonie. De Koude Oorlog strategie was een dubbele verbintenis. die bleef verder duren na 1990, en gebaseerd op drie principes: ontmoediging, geruststelling en afdwingen van non-proliferatie.
Ontmoediging om de U.S. heerschappij uit te dagen of om de gevestigde politieke en economische orde te verstoren gebeurt door alle huidige of toekomstige bedreigers militair te overtreffen. Geruststelling houdt in dat bondgenoten overtuigd moeten worden om geen militaire capaciteit uit te bouwen, maar hun veiligheid moeten laten verzekeren door de U.S. De militaire hegemonie van de U.S. in Europa, Azië en het Midden-Oosten is afhankelijk van de dreiging van de militaire kracht om regionale uitdagers te verslaan aan een relatief lage kostprijs. Vandaar het belang van non-proliferatie voor nucleaire wapens en massavernietigingswapens.
Deze strategie van alleenheerschappij is echter totaal vreemd in de traditionele buitenlandse politiek van de U.S. en zeer kostelijk waardoor geopteerd werd om deze strategie geheim te houden voor het Amerikaanse publiek. Er werd beroep gedaan op misleidende argumenten als ‘schurkenstaten, terroristen, massavernietigingswapens en genocide’, die een ingrijpen rechtvaardigden en aanvaardbaar maakten voor de Amerikaanse burgers.
Zal dit beleid van kracht blijven? Lind voorspelt dat China en India zullen uitgroeien tot supermachten en dat daardoor een multilaterale wereld gecreëerd zal worden. De kosten om de strategie van alleenheerschappij dan in stand te houden zullen onbetaalbaar worden. Wat is de oplossing dan? De beste optie, volgens de auteur, voor Amerika om het leiderschap te behouden tegen een relatief lage kostprijs is de ‘concert-of-power’-strategie. Dit is een coalitie van grootmachten die min of meer op dezelfde golflengte zitten en samen willen werken aan een gedeelde veiligheid en andere interesses.
De Irak-oorlog onthulde de kostprijs van een hegemonistisch beleid. Indien de oorlog beschouwd wordt als een slecht geïmplementeerde strategie, gaan de U.S. meerdere blunders tegemoet in de toekomst. Indien het echter als een fundamenteel probleem binnen de strategie gezien wordt, is er een mogelijkheid voor een debat over alternatieve strategieën, zoals de ‘concert-of-power’-strategie.

Robert Kagan zoekt de oorsprong van de Bush-Doctrine eveneens verder terug in de geschiedenis. Hij stelt dat het buitenlandse beleid in grote mate gelijkaardig was bij alle voorgangers van Bush, die de eveneens U.S. boven de andere naties plaatsten. Hij erkent het debat rond het al dan niet dominante karakter van de U.S. en de houdbaarheid en de wenselijkheid van haar strategie. Maar hij spreekt het feit dat de Irak oorlog het einde van een unipolaire wereld betekent, tegen. Hij stelt vast dat, ondanks tegenkanting, er ook veel groeiende relaties met Washington zijn (Japan en Australië), dat er meer pro-Amerikaanse leiders aan de macht komen en dat het blok van de tegenstanders (China en Rusland) geen samenhangend blok is. Ook de defensie uitgaven zouden niet onhoudbaar hoog zijn. Maar de tegenstand is er wel, er is een stijgende toename aan nationalistische staten en staten die een autocratisch regime verkiezen boven een democratie. Kagan stelt dat de verdeeldheid en de machtsstrijd tussen de groeiende nieuwe supermachten aantoont dat er geen wereldorde is, maar een continue strijd. De U.S. vertegenwoordigd in deze strijd een stabiliserende factor. De Amerikaanse buitenlandse politiek is geen hinderpaal voor een betere wereld, maar verhindert juist het afglijden naar een gevaarlijkere wereld. Voor Kagan is een andere wereldorde niet noodzakelijk een verbetering, misschien wel voor Azië, maar zeker niet voor het Westen. Het zou geen einde van conflicten betekenen, maar een verschuiving van de evenwichtsbalans, niet naar welvaart en vrede, maar naar een verdere competitie. Volgens Kagan in de wereld weer in een strijd tussen liberalisme en autocratie verwikkeld. Hij verwacht dan ook niet dat oproepen tot ‘concert-of-power’ succes zullen hebben. De idealen van een liberale wereld volgens de U.S. en Europa stemmen immers niet overeen met de idealen van Rusland en China die een sterk gecentraliseerd gezag voorop stellen. Samenwerking tussen deze machten is dan ook weinig waarschijnlijk. Hij stelt dat het belangrijker is voor de U.S. om een samenwerking tussen democratieën te weeg te brengen, die nieuwe instituties moeten creëren naast de bestaande. Hij spreekt tegen dat dit zou bijdragen aan een verdeling van de wereld aangezien die er volgens hem al is. In het licht van de opkomende autocratische regimes rechtvaardigt de auteur de buitenlandse aanpak van de U.S., ziet hij deze zelfs als noodzakelijk. De risico’s op gewelddadige reactie en haat ten opzichte van deze aanpak vindt hij de moeite waard om te nemen aangezien modernisering, liberalisme en democratie de enige mogelijke goede uitkomst zijn. De verantwoordelijkheid van de U.S. blijft in deze strijd dezelfde als de verantwoordelijkheid tijdens en na de Koude Oorlog.

In zekere zin heeft Kagan gelijk over het nooit weggeweest zijn van internationale machtsstrijd en dat een afwezigheid van de U.S. andere spelers naar voor zou brengen, die niet noodzakelijk een verbetering met zich meebrengen. Maar hij gaat toch aan het feit voorbij dat veel van de huidige conflicten veroorzaakt werden of geïntensifieerd werden door U.S. ingrijpen. Ongeacht het feit of ze de medeveroorzakers zijn van conflicten, spelen de Amerikanen op dit moment op sommige locaties wel een stabiliserende rol. Dit is echter geen argument om hun positie te rechtvaardigen, het zou veeleer een aansporing moeten zijn naar een voor alle partijen aanvaardbare oplossing te zoeken.
In tegenstelling tot Kagan zie ik hierin wel een mogelijkheid voor een ‘concert-of-power’. In een samenwerkingsverbond tussen groepen met verschillende, soms strijdige, ideeën is het misschien moeilijk om tot een algemene consensus te komen, maar alle partijen zijn op zijn minst vertegenwoordigd en hebben een stem. Dit zou een belangrijke factor van agitatie, namelijk verzet tegen een zonder meer te accepteren overwicht van één partij , grotendeels wegnemen.
In de ‘concert-of-power’ strategie zie ik een belangrijke rol weggelegd voor de Internationale Rechten van de Mens. Deze genieten een grote morele draagwijdte en kunnen als een leidraad voor het gedrag van de machtspartijen gelden, ongeacht het type regime, en als een toetsingsysteem voor ontwikkeling naar een betere wereld.
Maar op dit moment is de wereld nog steeds in de ban van de U.S., een positie die mijns inziens nog niet op sterven na dood is.

KAGAN R., 2007, End of Dreams, Return of History, in: Policy Review 144, August & September 2007, pp. 17-44 (Internetprovider: Ebsco)

LIND M., 2007, Beyond American Hegemony, in: The National Interest 89, May/June 2007, pp. 9-16 (Internetprovider: Ebsco)


Conversations with History

Nele Eggermont
http://www.youtube.com/watch?v=FBpnCVmkOYE

Deze link brengt jullie bij een video interview van de University of California, Berkeley, dat kadert in de reeks, Conversations with History. Het betreft een interview met David Harvey, professor in de antropologie aan de universiteit van New York, over zijn boek, The New American Imperialism.
Het is een heldere weergave van enkele mechanismen van het (nieuwe) Amerikaanse imperium, o.a. oorlogsvoering. Het concept ‘empire’ is in dit interview een vaststaand gegeven. Juist daarom vind ik dit fragment interessant. Ondanks het feit dat de Britse antropoloog duidelijk zijn vragen heeft bij het huidige militaire optreden van de U.S., stelt hij de status als imperium niet in vraag. Harvey vermeldt in het interview dat de U.S. vroeger door zijn financiële mechanismen, productieve capaciteit en culturele overtuigingskracht autoriteit en gezag had. Nu is de enige manier om autoriteit en gezag te behouden een militaire dominantie. Blijkbaar oordeelt de schrijver dat de U.S. door haar (economische) evolutie het recht op wereldheerschappij verkregen heeft, maar dat die positie nu uitgehold is en wellicht ook niet zal blijven bestaan. Er worden vraagtekens geplaatst bij militaire interventie, maar niet bij interventie in het algemeen.
Het fragment sluit aan bij het artikel van Michael Lind, Beyond American Hegemony, besproken onder de wetenschappelijke artikels, waarin de onhoudbare situatie van de alleenheerschappijstrategie wordt uiteen gezet.

Hieronder volgt een korte samenvatting:

Voor de interviewer dieper ingaat op het boek en de standpunten van de auteur, wordt eerst gepolst naar de achtergrond van David Harvey. Zijn opvoeding en opleiding bepalen in grote mate zijn visie op de hedendaagse Amerikaanse politiek, waarbij hij gebruik maakt van geografie en Marxisme als analytische instrumenten.

Standpunten inzake het Amerikaanse imperialisme van Prof. Harvey:
Eén van de nieuwe zaken aan het New American Imperialism is de territoriale logica ontstaan door de accumulatie van kapitaal. De auteur stelt dat kapitaal landschappen kan creëren en kan afbreken. Dominantie inzake kapitaal is volgens Harvey gerelateerd aan het creëren van ruimte.
Sinds de jaren ’70 van de 20ste eeuw heeft de U.S. een financiële overheersing door het herinvesteren van kapitaal waardoor het steeds meer kapitaal verkreeg. Om winst te maken is er echter expansie nodig (cf. het belang van groei als indicator voor welvaart). Dit impliceert dat het kapitaal ook wegvloeit en dat er naar nieuwe bronnen van inkomsten gezocht moet worden. Hier introduceert Harvey de term: “primitive accumulation” of “accumulation by dispossession”. Hiermee bedoelt de auteur privatisering. Dit ziet hij als het ontnemen van Universele Rechten aangezien mensen nu moeten betalen voor zaken die hij als vanzelfsprekend ziet, bvb. recht op water, recht op onderwijs, recht op gezondheidszorg.
Door de focus op kapitaal bracht de U.S. zichzelf in een ongezonde financiële situatie: enerzijds heeft de U.S. zo een dominante positie aangezien andere landen voor kapitaal van hen afhankelijk worden, maar aan de andere kant wordt deze dominantie bedreigd door het al dan niet inlossen van de schulden. De U.S bezit ook geen alternatief aangezien het zijn productieve capaciteit naar vooral Zuid-Oost Azië heeft verplaatst.
De dominantie van de U.S. uit zich in bezetting. Daar waar vroeger defensief gehandeld werd (zoals in Vietnam), gaat men nu offensief optreden (Irak). Het militaire apparaat wordt als enig manier gezien om orde en gezag te handhaven, bijgevolg is er ook een toenemend belang voor het militaire aspect. Niet enkel in het buitenland, maar ook in de U.S. zelf waar men een toenemende militarisatie van het politieke leven kan vast stellen. Inzake technologische vernieuwing neemt de U.S. nog steeds een dominante positie in, maar deze innovaties blijven niet noodzakelijk in de U.S., het zijn voornamelijk de winsten ervan die in het binnenland blijven. De technologische innovatie op militair vlak wordt vooral besteed aan verdediging van het luchtruim. In de lucht zijn de Amerikanen oppermachtig, maar op de grond bereikt een massale troepenconcentratie niet het gewenste resultaat. Bovendien zijn deze troepen vaak afkomstig uit andere landen. Dit is volgens Harvey het grote probleem: het gebrek aan productief en industrieel kapitaal en de overgrote nadruk op financieel kapitaal. Enerzijds creëert de U.S. zo een dominante positie aangezien andere landen voor kapitaal van hen afhankelijk worden, maar aan de andere kant wordt deze dominantie bedreigd door het al dan niet inlossen van de schulden.
Overal duikt reactie op tegen de aanpak van de U.S. Een reactie die niet echt de voorkeur van de schrijver wegdraagt, is de nationalistische oppositie. De verbonden die hierdoor ontstaan beschouwt Harvey als sterke maar eerder repressieve reacties, die niet echt opbouwend zijn. Hij kent dan weer grote waarde toe aan lokale oppositie initiatieven, die echter nog in een experimentele fase zitten. Tot nu toe is daar weinig samenhang. Hij verwondert zich over het feit dat er veel ontevredenheid is, maar weinig politieke reactie. Dit wijdt de auteur aan verschillende zaken zoals fragmentering door te specifiek te focussen, de aanpak van de media, enz.
Over de rol van de regering van Blair verwijst Harvey naar de reeds langdurige samenwerking tussen beide naties. Hij stelt dat de Britten gezien de rancuneuze politieke persoonlijkheid van Bush geen problemen wilden en dat de U.S. te veel problemen kon veroorzaken in relatie tot de gevoelige situatie in Noord-Ierland. Het belang van Blair is vooral dat hij het nationalistische imperialisme van Bush meer universeel wilde maken, een soort ‘kosmopolisch imperialisme’.
Als afsluiter worden een algemeen advies naar studenten toe gegeven. De auteur gelooft immers niet dat de dominantie van de U.S. zal blijven duren. Hij stelt dat het belangrijk is om dat te accepteren en vervolgens meer op verschillende regio’s en wat daar gebeurt te focussen. Verder beschrijft Harvey U.S. interventie als soms zeer destructief en dat het dan ook niet onwenselijk is om na te denken over wat de U.S. dan wel wil creëren en wie dat gaat doen en hoe dat moet gebeuren.